Moretum — Anton van Wilderode

Moretum. Winter op het land — Pseudo-Vergilius
Moretum. Winter op het land — Pseudo-Vergilius

Pseudo-Vergilius
Moretum. Winter op het land
vertaling: Anton van Wilderode
Uitgeverij P
Leuven, 2019 (28 pp.)
1e druk
ISBN 978 94 914 5547 6

€ 15 — bestel

uit de pers — geselecteerd

De Appendix Vergiliana is een ietwat misleidende verzamelnaam voor gedichten die nogal wat reminiscenties aan Vergilius bevatten, maar waarvan weinig of niets met zekerheid aan de dichter uit Mantua kan worden toegeschreven. Die collectie bevat wel een paar boeiende stukken, waarvan het Moretum wellicht het meest aantrekkelijke is. De idylle vertelt hoe een arme boer ’s morgens opstaat, brood bakt en beleg bereidt dat moretum heet, en daarna naar zijn akker vertrekt. Het gedicht geeft een ongewone inkijk in het dagelijks leven van een Romeinse keuterboer en is door zijn epische tournures niet vrij van parodie op het grote literaire genre.

Van Wilderode publiceerde Winter op het land in een Vergiliusnummer van Hermeneus in 1982. Archiefonderzoek rond Moretum bracht nog andere vertalingen aan het licht uit Catalepton van de Appendix Vergiliana.

Deze bundeling vormt het sluitstuk op het indrukwekkend vertaalwerk van Anton van Wilderode.

uit de pers

geselecteerd

Nabij de kleine woning lag een moestuin
beveiligd door een rijtje waterwilgen
en hooggewassen riet dat eerlijk opschoot;
niet groot maar vruchtbaar voor een keur van groente.
Er was daar geen tekort aan zulke dingen
als een bescheiden man behoefde; somtijds
wilde een rijkaard zelfs de rijkdom delen
waarover deze arme man beschikte!
Maar hij verbeuzelde zijn tijd niet, liet zich
door regelmaat van bezigheden leiden
wanneer het regende, wanneer een feestdag
hem binnenshuis tot werkloosheid verplichtte,
wanneer het geen seizoen was om te ploegen, –
dan zocht hij in de kleine tuin zijn toevlucht.
Hij wist precies waar hij de wingerdstekken
moet zetten, hoe het zaaigoed toevertrouwen
aan de gesloten grond en met veel inzicht
het water van een bijgelegen beekje
naar zijn bezitting handig af te voeren.
Hier groeide kool, en biet met brede blaren,
ook volop zuring, en alant, en malve;
daar witte peen, en look die haar benaming
(heet ‘capitatus’!) aan het hoofd ontleend heeft;
ook latuw die een al te zware maaltijd
lichter verteerbaar maakt; en véél radijzen
met scherpgepunte kop; en kalebassen
die met haar logge buik liggen te zwellen. (61-78)