Kunstbrieven — Pietro Aretino

Kunstbrieven — Aretino
Kunstbrieven — Aretino

Pietro Aretino
Kunstbrieven
Uitgeverij P
Leuven, 2004 (56 pp.)
1e druk
ISBN 90 76895 97 X

uit de persgeselecteerd

Aretino (1492-1556), de ‘gesel van vorsten’, ‘secretaris van Pasquino’, ‘secretaris van de wereld’, ‘il divino’, is vooral bekend om zijn erotische werken (Sonnetti lussuriosi en Ragionamenti). Daarnaast schreef hij evenwel ook theaterstukken en religieus proza. Maar naam maakte hij vooral door de ca. 2000 brieven die hij vanuit zijn palazzo aan het Canal Grande in Venetië schreef aan alle groten van zijn tijd. Daaronder bevindt zich een reeks brieven aan zijn grote vriend Titiaan en aan Michelangelo, die hij bewonderde maar van wie hij slechts eenmaal een antwoord kreeg. Beroemd is Aretino’s brief met suggesties voor Het Laatste Oordeel in de Sixtijnse Kapel en berucht zijn vernietigende kritiek op de naakten van Michelangelo’s fresco. De brieven getuigen van een scherpe geest die de kunstkritiek inluidt én van een literaire pen die een hoogtepunt vormt in de epistolografie. Deze tweetalige uitgave van een kleine selectie uit zijn brieven werpt een licht op een bij ons ten onrechte onbekende Aretino.

uit de pers

‘De Vlaamse classicus Patrick Lateur (hier bekend om zijn prachtige vertaling van de oden van Pindarus) heeft in een klein fraai verzorgd boekje, dat Kunstbrieven heet, dertien van Aretino’s brieven vertaald. […] Dertien brieven van zo’n vijfhonderdendertig jaar oud, – ze zijn genoeg in een rare week, even gezelschap van een echt hoogstaande boef, met cultuur als zijn belangrijkste chantagemiddel. Even bij verre groten onder elkaar. Wat een geestrijkheid in die paar teksten. Met een Italiaans-Nederlandse tekst verscheen het boekje bij uitgeverij P te Leuven. In een oplage van vierhonderd exemplaren. Dat getal is iets te koket voor zo’n geweldenaar.’ (Kees Fens in De Volkskrant)

‘Al met al gaat het in dit fraai uitgegeven boekje om amusante, zij het opvallend brave brieven van een niets ontziend satiricus die door Ariosto “de gesel der vorsten”, maar door anderen “de beurzensnijder der vorsten” werd genoemd (zelf noemde hij zich graag “de geheimschrijver van de wereld”). Met hun uitstekende notenapparaat en uitleiding vormen deze brieven een ideale smaakmaker.’ (Frans Denissen in De Standaard der Letteren)

‘Pietro Aretino (1492-1556) schreef meer dan 3000 brieven. Uit deze uitgebreide correspondentie heeft Patrick Lateur een selectie gemaakt van brieven die over kunst handelen. Naast de originele Italiaanse tekst vind je een vertaling en een korte commentaar. Vooral de brieven van Aretino aan Michelangelo trekken de aandacht. […] In ons taalgebied is Pietro Aretino, zoals Lateur opmerkt, te weinig bekend. Hij was tegelijkertijd geëerd en gevreesd. Je kon bij hem beter op een goed blaadje staan, want hij was met zijn scherpe pen in staat iemand te kraken. Ariosto noemde hem de “flagello dei principi”, de gesel van de vorsten. Hij stond in contact met de meeste kunstenaars en machthebbers van zijn tijd, o.a. met Keizer Karel en François I van Frankrijk. Deze kleine, verzorgde uitgave stelt ons in staat om kennis te maken met een van de belangrijkste figuren uit het Cinquecento, de tijd van de Hoogrenaissance.’ (Bernard Huyvaert in Leeswolf)

geselecteerd

Fragment uit de brief aan Michelangelo over Het Laatste Oordeel in de Sixtijnse Kapel, november 1545:

‘Toen ik nog eens het volledige ontwerp zag van uw gehele Dag van het Oordeel, kwam ik ertoe de befaamde gratie van Rafaël te waarderen en de bekoorlijke schoonheid van zijn rijke vinding. Maar als christen schaam ik me voor de vrijpostigheid — totaal ongeoorloofd voor de geest — die u aan de dag legde bij het uitbeelden van de gedachten aangaande het einde, waar alle verwachtingen en overtuigingen van ons waarachtig geloof hun voltooiing kennen. Heeft die Michelangelo met zijn indrukwekkende faam, die Michelangelo met zijn bewonderenswaardige wijsheid, heeft die wonderbare Michelangelo dan aan de mensen evenveel godvergeten ongeloof willen tonen als volmaakte schilderkunst? Is het mogelijk dat u, die door uw goddelijke aard de gemeenschap van de mensen veracht, dat gedaan hebt in het grootste heiligdom van God, boven het voornaamste altaar van Jezus, in de grootste kapel ter wereld, waar de grote kardinalen van de Kerk, waar de eerbiedwaardige priesters, waar de plaatsvervanger van Christus met katholieke ceremonies, met heilige rituelen en goddelijke gebeden zijn lichaam, zijn bloed en zijn vlees belijden, aanschouwen en aanbidden? Ware het niet gemeen een vergelijking aan te voeren, ik zou me beroemen op de kwaliteit van mijn boek over Nanna en mijn bezonnen wijsheid boven uw ongeregeld geweten plaatsen. Want in die wulpse en onzedige materie gebruik ik niet alleen behoedzame en fatsoenlijke woorden, maar ik vertel er in onberispelijke en kuise bewoordingen. In de behandeling van een zo verheven geschiedenis toont u evenwel engelen en heiligen, de laatsten zonder enige aardse welvoeglijkheid, de eersten verstoken van elk hemels sieraad. Kijk eens naar de heidenen. Ik heb het niet over het beeldhouwen van een geklede Diana. Maar als zij een naakte Venus maken, laten zij haar met de hand de lichaamsdelen bedekken die men niet ontbloot. En u, die toch een christen bent, acht de kunst hoger dan het geloof en daarom beschouwt u het conform de echtheid van het spektakel zowel het decorum bij martelaren en maagden niet in acht te nemen, als de verdoemden voor te stellen met hun geslachtsdelen, iets dat zelfs het bordeel de ogen zou doen sluiten om het niet te zien. Uw werk was op zijn plaats in een badhuis vol geneugten, niet in een grandioos koor. Bijgevolg zou het minder erg zijn dat u niet gelooft, dan dat u andermans geloof aantast door op die manier uw geloof uit te drukken. […]

Uw dienaar Aretino.

P.S. Nu ik een beetje lucht heb gegeven aan mijn woede om de wreedheid waarmee u mijn toewijding hebt beantwoord, en nu ik meen u te hebben aangetoond dat, als u een god bent, ik toch niet Piet Snot ben, verscheur dan deze brief die ook ik in stukken heb gescheurd, en kom maar tot het besluit dat ik van die aard ben dat zelfs koningen en keizers mijn brieven beantwoorden.’

Brief aan Titiaan over een zonsondergang boven Venetië, mei 1544.

Mijn beste vriend,

Tegen mijn gewoonte in heb ik op mijn eentje gedineerd, of beter gezegd: in het gezelschap van de ongemakken van die vierdendaagse koorts, die me van geen enkel gerecht meer de smaak laat waarderen. Verzadigd van de wanhoop waarmee ik was komen aanzitten, ben ik van tafel opgestaan. De armen geleund op de vensterbank en daarop steunend met mijn borst en bijna heel mijn lichaam, begon ik het wondere spektakel te bekijken van de ontelbare bootjes, die zowel met vreemdelingen als met Venetianen gevuld, niet alleen de toeschouwers vermaakten, maar ook het Canal Grande zelf, dat bron van vreugde is voor iedereen die het doorklieft.

En plots was er het leuke uitzicht op twee gondels, waarmee twee gondeliers een roeiwedstrijd hielden tot groot plezier van de massa die, om de regatta te zien, was blijven staan op de Ponte di Rialto, op de Riva dei Camerlinghi, op de Pescaria, op de veerpont van Santa Sofia en die van de Casa da Mosto. En terwijl die verschillende groepen vrolijk applaudisseerden en weer hun weg gingen, richtte ik de ogen naar de lucht, als een man die zich verveelt en niet weet wat te doen met zijn geest of gedachten. En sinds God die lucht had geschapen, was hij nog nooit zo mooi geweest in een zo lieflijk picturaal spel van donkere en lichte tinten. De atmosfeer was er een die schilders zouden willen uitbeelden die u benijden, omdat zij u zelf niet kunnen zijn, die dat nu ziet door mijn beschrijving.

Om te beginnen de huizen. Hoewel ze uit echte steen waren, gaven ze een irreële indruk. En let vervolgens even op de atmosfeer, die ik op sommige plaatsen zuiver zag en fel, op andere plekken troebel en vaal. Stel je ook het wondere beeld voor dat ik van de wolken zag, zwaar door condense vochtigheid, voor de helft op het voorplan bij de daken van de gebouwen, voor de andere helft op het tweede plan, terwijl de horizon helemaal vervloeide en vervaagde in grijs-zwart. Ik was echt verbaasd over de variatie in kleuren die zij vertoonden: de dichtstbije wolken ontbrandden door de vlammen van het zonnevuur, de verste waren rood door een gloed van minder intense menie. Ach! met welke mooie trekken duwde de natuur met haar penselen de lucht naar de achtergrond, weg van de paleizen zoals Vecellio doet in zijn landschappen! Op sommige plaatsen verscheen een groenblauw en elders een blauwgroen, tinten die werkelijk gevormd waren door de grillen van de natuur, meesteres van de meesters. Met heldere en met donkere tonen gaf zij diepte of reliëf aan wat zij op de voor- of op de achtergrond wilde plaatsen. En omdat ik weet dat uw penseel haar geest inspireert, riep ik tot drie- of viermaal toe: “Ach Titiaan, waar blijft u nu?”

Voorwaar, had u geschilderd wat ik u vertel, dan had u bij de mensen de verbazing gewekt die mij in verwarring bracht bij het aanschouwen van wat ik vertelde. En daarmee werd mijn geest gevoed, want dit wonderlijk schilderij heeft niet langer geduurd. Venetië, mei 1544.