Italië in 100 brieven

Italië in 100 brieven
Italië in 100 brieven

Italië in 100 brieven. Van Plato tot Pasolini
Davidsfonds
Leuven, 2012 (239 pp.)
1e druk
ISBN 978 90 5826 899 0

uit de persgeselecteerd

‘Met Italië leeft men als met een geliefde, vandaag in grote ruzie, morgen in aanbidding.’
De filosoof Schopenhauer wist de dualiteit, maar vooral de onontkoombare aantrekkingskracht van Italië treffend weer te geven. Ook door de ogen van andere bekende historische figuren krijgen we in deze brievenbundel scherpe schetsen en diepgaande beschouwingen van il bel paese aan de Middellandse Zee. Soms verzuchtend, soms hartstochtelijk. Dan weer bitter of betoverd.
Van didactische brieven van de filosoof Seneca, een sollicitatiebrief van Leonardo da Vinci, politieke brieven van Dante en Verdi, reisbrieven van Cyriel Buysse of Bartoldy tot zelfs persoonlijke liefdesbrieven van George Sand. De brieven in deze bundel variëren in thema en stijl, maar telkens speelt Italië een rol.
Italië in 100 brieven is een bundeling van brieven die literatoren en filosofen, componisten en beeldende kunstenaars, politieke en kerkelijke figuren over Italië schreven van de Grieks-Romeinse Oudheid tot vandaag. Met deze verzameling legt Patrick Lateur een originele mozaïek van Italië.

uit de pers

‘Wat doet ons dan al zo vele eeuwen van Italië dromen? Het zachte klimaat, de wijn en de vruchten, het dolce vita als levensstijl, onze culturele en religieuze wortels? Het zijn allemaal vertrouwde sjablonen geworden. Italië bestaat ook niet alleen in de geest van zijn autochtone bewoners. Het land telt al eeuwenlang vreemde pleitbezorgers, de ene nog beroemder dan de andere. De classicus en Italië-kenner Patrick Lateur (1949) heeft er een prachtige bloemlezing aan gewijd. Hij verzamelde 100 brieven geschreven vanuit Italië, te beginnen met een brief van de Griekse wijsgeer Plato en eindigend met eentje van de nog springlevende Nederlandse schrijver Geerten Meijsing. […] Het nadeel van een brievenbloemlezing is het ontbreken van ruimte om zich met het de toon en het ritme van de briefschrijver echt vertrouwd te maken (als er al een uitgebreide correspondentie bewaard is gebleven). Het blijft meestal bij één uitgekozen brief. Het voordeel is de variatie van het gebodene en de uitdaging bij de lezer om zelf fraaie en verrassende verbindingen te leggen. Daar krijgt de lezer van dit mooi uitgegeven boek alle kans toe. Patrick Lateur voorziet elke brief van een korte biografische schets.’ (Johan de Haes op Cobra.be)

‘Leerzaam zijn ook de kunstenaarsbrieven, zoals die van Dürer, Michelangelo of Rubens, waaruit blijkt dat er in de wereld van de genieën niet altijd peis en vree heerst. Zo ziet Dürer overal concurrenten die zijn werken ko­piëren, voelt Michelangelo zich door al zijn opdrachtgevers onheus behandeld en maakt Rubens zich boos omdat zijn werk niet goed wordt opgehangen. En bij alle drie blijkt geld een niet onbelangrijke rol te spelen. Zo is er nog veel meer: variëteit te over, verrassingen gegarandeerd.’ (Frans Denissen in Standaard der Letteren)

‘Vertaler en dichter Patrick Lateur is niet aan zijn proefstuk toe als het over Italië gaat. Zijn jongste bloemlezing gaat uit van een wel hoogst originele formule om dat land ‘in the picture’ te plaatsen. Hij selecteerde honderd brieven die op Italiaanse bodem werden geschreven of gericht zijn aan een Italiaan en voorzag ze telkens van een uitmuntende inleiding. Het eigentijds vormgegeven boek bevat veel meer dan weetjes over Italië, het leest als een cultuurgeschiedenis van Europa.’ (Emmanuel van Lierde in Tertio)

geselecteerd

Rome, 19 mei 2012

Lectori Salutem,

‘Met Italië leeft men als met een geliefde, vandaag in grote ruzie, morgen in aanbidding’, schreef de filosoof Schopenhauer aan zijn jeugdvriend Osann (cf. brief 58). En de dichter Umberto Saba vroeg zijn vriend Sandro Penna: ‘Schrijf me gauw. Vertel me veel over jezelf.’ (91) Tussen die twee polen beweegt zich dit Italiaans brievenboek: enerzijds de besognes en interesses, inzichten en overwegingen van de briefschrijver zelf, anderzijds Italië dat nu eens alleen maar het decor vormt waarin de briefschrijver zijn leven van altijd gewoon voortzet, dan weer het land waar de reiziger in bewondering staat voor natuur en cultuur of zich ergert aan Italiaanse toestanden.

Brieven zijn egodocumenten die op een directe manier weergeven wat de briefschrijver ziet of denkt. Een brief is slechts de helft van een gesprek, aangezien de adressaat grotendeels buiten beeld blijft, maar de lezer krijgt de gedachten van de afzender wel uit de eerste hand.
Bij de private brief kan hij zich aanvankelijk nog een voyeur voelen. Nogal wat brieven uit deze anthologie waren in oorsprong niet bedoeld voor publicatie. Wanneer de koopman Balthasar Paumgartner vanuit Lucca naar zijn vrouw in Nürnberg schrijft (38), was dat een persoonlijke brief waarbij de afzender nooit zal hebben gedacht dat zijn correspondentie eeuwen later nog zou worden gelezen. De brieven die de schilder Antoine Wiertz (63), de schrijver Romain Rolland (79) en de auteur en cineast Jean Cocteau (87) vanuit Rome of Messina naar hun moeder schreven, hebben een hoogst persoonlijk karakter. Ze vertellen veel over de afzender, maar tegelijk ook over het land waar hij verblijft.
Nogal wat briefschrijvers moeten bij het schrijven een mogelijke publicatie van hun brieven voor ogen hebben gehad. In de oudheid was dat onder meer het geval bij Cicero, Plinius de Jongere en Seneca. Aan dergelijke literaire brieven werd dan ook stilistisch de grootste zorg besteed. In hun spoor traden latere auteurs als Petrarca en Erasmus, Hooft en Flaubert.
Afhankelijk van de bedoeling van de schrijver nemen brieven diverse vormen aan en leggen ze qua inhoud en toonaard wisselende accenten. De dichter Horatius stuurt de bevriende dichter Tibullus een briefgedicht (7), eeuwen later zal Hooft hetzelfde doen in een rijmbrief aan een Amsterdamse rederijkerskamer (39). De filosoof Seneca (10) schreef didactische brieven om zijn vriend Lucilius, en via hem ook zijn Romeinse lezers, de wijsheid van de Stoa bij te brengen. Misschien heeft Lucilius niet eens bestaan en zijn die filosofische brieven gewoonweg fictieve brieven, zoals Petrarca ooit een brief schreef aan Cicero (25) of de Venetiaanse patriarch Albino Luciani, de latere paus Johannes-Paulus I, aan Pinocchio (97). Bij de leerbrieven van Seneca leunen de pastorale brieven van Paulus (9) aan, want ook die waren afgestemd op onderricht. Brieven kunnen de bedoeling hebben anderen welwillend te stemmen, zoals de dedicatiebrief van de renaissancekunstenaar Leon Battista Alberti aan Marescalchi (28), de sollicitatiebrief van Leonardo da Vinci aan Ludovico il Moro (30) of de aanbevelingsbrief waarmee paus Leo X Erasmus bij Hendrik VIII recommandeerde (34). Politieke brieven zijn er van Plato (1) en Dante (24), van Verdi (72) en Pasolini (98). Keizer Trajanus schreef ambtelijke brieven aan zijn gouverneur Plinius de Jongere (12) en tot hetzelfde zakelijke genre behoort de brief die paus Leo IX richt tot Petrus Damianus (21). De meest persoonlijke brieven zijn ongetwijfeld de liefdesbrieven, hier vertegenwoordigd door onder meer George Sand en Alfred de Musset (62) en Gabriele d’Annunzio (78). Van eenzelfde intense genegenheid getuigen vriendenbrieven als die van Boccaccio aan Petrarca (26) en van Fellini aan Simenon (99). In kunstbrieven beschrijven artiesten hun eigen bedrijvigheid, zoals Canova aan Quatremère de Quincy (53), of denken zij hun kunstbroeder te kunnen inspireren, zoals Pietro Aretino in een brief aan Michelangelo (36). En uiteraard zijn er de reisbrieven, zoals die van Mendelssohn Bartoldy aan zijn familie (60) of die van Cyriel Buysse aan zijn oom (80). Soms fungeren reisbrieven als epistolair dagboek, zoals in het geval van William Beckford (48).

De zee van brieven die literatoren en filosofen, componisten en beeldende kunstenaars, politieke en kerkelijke figuren, enzovoort schreven in, uit of over Italië, strekt zich in de tijd uit van de Grieks-Romeinse oudheid tot vandaag, meer dan twee millennia. Bovendien bestrijken die brieven vele aspecten van het menselijk bedrijf: politiek en economie, maatschappij en gezin, religie en filosofie, kunst en cultuur, arbeid en ontspanning. Een keuze daaruit kan alleen maar subjectief zijn, en eigenlijk vooral willekeurig. De eigen lectuur, zelf bepaald door persoonlijke interesses, is daarbij grotendeels bepalend.
Tot in de 16e eeuw betreft het vooral brieven van mensen die binnen de huidige grenzen van Italië leefden en werkten, vanaf de 17e eeuw dringen zich steeds meer brieven op van buitenlandse kunstenaars en reizigers. Daaraan is uiteraard de Grand Tour niet vreemd.
Nogal wat brieven blijven binnen de landsgrenzen omdat het gaat om correspondentie tussen ‘Italianen’. Maar ook Rubens schrijft vanuit Rome naar het hof van de Gonzaga’s in Mantua (41) en een ongeduldige Napoleon schrijft vanuit Verona naar zijn Joséphine in Milaan (50). Met de Grand Tour vertrekt de meerderheid van de brieven richting buitenland, omdat het vaak om reisbrieven gaat. Sommige opgenomen brieven vertrokken van buiten Italië naar een een adressaat in Italië. Zo schrijft Plato vanuit Athene een aan hem toegeschreven brief naar Dio in Syracuse (1) of richt Paulus zich in een pastorale brief tot de Romeinen vanuit Korinthe (9).
Zowat een derde van de brieven werd speciaal voor deze bloemlezing vertaald, voor de selectie van de rest werd geput uit bestaande vertalingen. In de bibliografie worden de nieuw vertaalde brieven aangegeven met ‘ongepubliceerd’. De brief van Raymond Brulez aan zijn echtgenote (92) werd niet eerder gepubliceerd. In de lijn van mijn vroegere literaire bloemlezingen over Rome (2000), Toscane (2002) en Amor in Roma (2006) zijn de brieven telkens voorzien van een kleine inleiding over briefschrijver en context. Ze werden chronologisch gerangschikt zonder dat ze evenwel in tijdvakken werden ondergebracht. De brieven volgen elkaar op als vormen ze een fluïdum, dat figuren, plaatsen en tijden onderling verbindt. De aandachtige lezer zal opmerken dat de middeleeuwen, zoals zo vaak, ondervertegenwoordigd blijven. Dit heeft vooral te maken met het feit dat de meeste brieven uit die eeuwen in archieven blijven steken of in wetenschappelijke edities werden opgenomen maar nog niet vertaald. De brieven kregen een nummering mee van 1 tot 100 en naar die nummering wordt verwezen in de selectieve registers op persoons- en plaatsnamen.

‘Jtalia siet ghij hier’, schreef de 20-jarige P.C.Hooft in 1600 in zijn Florentijnse rijmbrief aan de Amsterdamse rederijkerskamer ‘De Eglantier’ (39). Vrouwe Italia is daar de personificatie van het land dat zichzelf evoceert in een lange opsomming van steden en beroemde literatoren. In alle bescheidenheid zegt voorliggende epistolaire bloemlezing: ‘Hier zie je een Italië.’ Deze anthologie kan alleen maar een van de vele mogelijke Italiaanse mozaïeken zijn.

Vale.
Patrick Lateur

P.S. — Voor hun nieuwe vertalingen dank ik Kristoffel Demoen, Frans Denissen, Luc Devoldere, Piet Gerbrandy, Anne-Marie Musschoot, Stefan van den Broeck en Wim Verbaal. Ik ben dank verschuldigd aan Jos Borré, Karel Porteman, Emmanuel van Lierde en Joris van Parys voor hun informatie of suggesties. Mevrouw Annie A Campo-Brulez ben ik erkentelijk voor de toelating een ongepubliceerde brief van haar vader op te nemen. Voor hun behulpzaamheid dank ik Johan Eeckhout en Jean-Paul den Haerynck van de Hoofdbibliotheek Zuid van Stad Gent en Annick Florin van de bibliotheek van de KANTL. In Rome genoot ik gastvrijheid in de Biblioteca Hertziana en in de Academia Belgica, waar Charles Bossu me zijn gewaardeerde diensten aanbood. Pater Emiel van de Velde, rector van het Collegio Missionario di Scheut, dank ik voor het verblijf op de flank van de Janiculus.