Ilias. Wrok in Troje — Homeros

Ilias — Wrok in Troje
Ilias — Wrok in Troje

Homeros
Ilias — Wrok in Troje
Athenaeum-Polak & Van Gennep
Amsterdam, 2010 (864 pp.)
1e en 2e druk
ISBN 978 90 253 6732 9
€ 22,50 — bestel

uit de persgeselecteerd

De Ilias beschrijft een episode uit het laatste jaar van het beleg van Troje. De Griekse troepen staan er niet goed voor: Achilles, hun grootste held, heeft zich na een twist met Agamemnon teruggetrokken uit de strijd. Wanneer zijn dierbare vriend Patroklos omkomt, sluit hij zich weer aan bij het leger, neemt hij wraak voor de dood van zijn strijdmakker en geeft hij uiteindelijk ook Hektors lijk terug aan zijn vader Priamos. Op de achtergrond van al dit strijdgewoel zijn er natuurlijk de goden, die hun machtsspel op de Olympos maar al te graag verbeeld zien door stervelingen die in Troje gevechten op leven en dood leveren. Een epos vol oorlog en heldenmoed, eerzucht en wraak, vriendschap en liefde.

Zie ook: Homeros, Odyssee. Een zwerver komt thuis.

uit de pers

‘Dankzij de vloeiende spreektalige vertaling van Patrick Lateur oogt de Ilias van Homeros weer als nieuw.’ (Frank Hellemans in Knack)

‘De classicus Patrick Lateur (1949) heeft tien jaar na zijn alom bejubelde Pindarosvertaling uit 1999 en een indrukwekkende reeks opera minora opnieuw een wonderlijke vertaling en een opus maximum afgeleverd. Hij laat daarin de twee grote sterktes van Homerus subliem tot hun recht komen: de poëtische en de vertellende kracht. De vaste kapstokverzen, de levendige beschrijvingen van het leven en de dood zoals ze zijn, de homerische vergelijkingen, de overbekende epitheta…: het is allemaal met veel liefde voor de poëzie en het verhaal weergegeven, en met de noodzakelijke filologische vakkennis. Ik werd alleen enigszins nerveus van de vele zinnen die met ‘En’ beginnen; dat wordt op den duur een (metrisch handig) gimmickje. En onvermijdelijk stoot je wel eens op een minder geslaagd vers of woord. Ook de goede Homerus dommelde wel eens in, aldus collega Horatius.
De jambische vijfvoeter en de ‘klassieke’ poëtica die de vertaler ook in zijn eigen werk hanteert, doen het hier perfect. Het werkt naar mijn gevoel merkelijk beter dan in de nog verkrijgbare, zeer geprezen maar zware Ilias-vertaling van H.J. de Roy van Zuydewijn in hexameters, en dan in Schwartz’ inmiddels meer dan vijftig jaar oude prozaversie, een van de weinige ‘klassieke’ vertalingen in het Nederlands. Kijk, vergelijk en geniet van de keuze aan Nederlandse Ilias-vertalingen die er nu dus is, een grote rijkdom. Als het de goden belieft, zet Lateur zich de komende jaren ook aan de Odyssee.
Lateurs archaïsmen en de Vlaamse zweem kunnen, ja horen zelfs bij Homerus, ook al tutoyeren de helden elkaar in deze vertaling. Op een vreemde manier botst het niet. (Voor ‘klassieke’ Grieken van de vijfde, vierde eeuw was Homerus’ Grieks sterk dialectisch en kunstmatig.) Het is geen toeval dat de door Lateur bewonderde Vergiliusvertaler Anton van Wilderode hem met zijn keuze voor de vijfjamber is voorgegaan, maar Lateur heeft ook helemaal gelijk als hij stelt dat vertalingen in jambische verzen, al zijn ze dan wel rijmend, meer aansluiten bij de Europese en dus ook bij de Nederlandse epostraditie dan vertalingen in proza of in imitatiehexameters. Gorters Mei is zo’n epos in vijfjambers en zijn inspiratie kwam onder meer van Keats, die wel meer Tachtigers tot epische exploten in jamben bracht. Het is vreemd dat de rijmloze vijfjamber niet eerder is uitgeprobeerd, op een verkorte Odyssee-bewerking van Bertus Aafjes na. Nederlandse Homerusvertalers uit de twintigste eeuw, tot en met Imme Dros en haar Odysseia, leken wel behekst door de hexameterdwang. Lateurs werk is in deze nieuwe lente niets minder dan een nieuw geluid.’ (Patrick De Rynck in De Morgen)

‘De nieuwe Ilias van Patrick Lateur is er één die haar magistrale origineel waardig is, en dat is een prestatie. De toon is objectief en doorzichtig, en zelden of nooit hoor je de vertaler aan het werk. De tekst zuigt je zijn universum binnen. Lateurs woordkeus, maar ook zijn keuze van metrum, is subliem. Hij koos voor rijmloze vijfvoetige jamben of blanke verzen, in plaats van Homerus’ dactylische hexameters (‘Geef me mijn hoed en mijn jas, want dan ga ik me lekker bezatten’ is daarvan het Nederlandse schoolvoorbeeld), die in het Nederlands niet prettig lopen. Die keuze geeft een soepelheid en dynamiek die de tekst boven proza uittilt, maar deze toch dicht bij de natuurlijke cadans van het Nederlands laat blijven.
Behalve door zijn keuze van metriek, brengt Lateur Homerus dicht bij de moderne lezer door opvallende kenmerken van het Homerisch taaleigen opmerkelijk natuurlijk weer te geven, zoals de veelvoorkomende sierende bijvoeglijke naamwoorden (de zogenaamde epitheta, zoals de ‘snelvoetige’ Achilles). Zo ook maakt hij de formulaire uitdrukkingswijzen waar Homerus als oraal dichter gebruik van maakte, minder ‘vreemd’: ‘hij sprak het woord en noemde het’ bij Homerus wordt bij Lateur ‘verwoordde wat hij voelde’. Daar kan men natuurlijk kanttekeningen bij plaatsen. De Homerische taal was wat we een kunsttaal noemen, die nooit zo is gesproken als hij in de verzen klinkt, het relict van een eeuwenoude traditie van orale poëzie waaruit Homerus is voortgekomen: hoe ‘normaal’ mag een vertaling dan zijn? Het antwoord is dat voor de Griekse luisteraar en lezer de taal van Homerus, hoe kunstmatig ook, zo zeer deel uitmaakte van de culturele context, zo alom aanwezig was in literatuur en cultuur, dat de ‘vreemdheid’ ervan goeddeels verdween.
Vorige generaties lezers, die vaak als gymnasiasten door zes uur Grieks per week gepokt en gemazeld waren in de epische kunsttaal, konden wellicht met een letterlijker weergave tevreden zijn, hoewel die strategie ook toen al critici kende. Maar Lateur moet een grotere afstand overbruggen. Daarin slaagt hij onder meer dankzij het vermogen – dat ook die andere grote Homerus-imitator, Vergilius, eigen was – om binnen de perken van herkenbaar taalgebruik toch opmerkelijk en beeldend te formuleren, zodat zijn Ilias altijd poëzie blijft. Maar de belangrijkste rechtvaardiging van zijn aanpassingen is het behoud van de vaart waartoe hij zo in staat wordt gesteld. En die vaart laat de lezer lezen, en zo een spanningsboog van enorme omvang omklemmen – en erdoor beklemd worden, want de Ilias is beklemmend.’ (David Rijser in NRC-Handelsblad)

‘Lateur bedacht een radicaal andere oplossing. Hij zette de zesvoeters om in soepele jambische pentameters, het metrum van Keats’ Hyperion, Gorters Meien Nijhoffs Awater, met in de vertaling steeds drie regels waar Homeros er twee heeft:

De wrok, godin, van Peleus’ zoon Achilles
moet u bezingen. Hij was dodelijk,
bracht voor Achaiërs rampspoed zonder einde.

Een andere ingreep is de wijze waarop Lateur de zogeheten epitheta ornantia naar zijn hand zet, de fraaie samengestelde naamwoorden van het type ‘roosvingerig’, ‘schoonlokkig’, ‘helmboswuivend’ en ‘snelvoetig’. Lateur omschrijft ze: ‘Briseïs met de mooie wangen’, ‘de krijgers met een helmbos / van paardenstaart’. Een veelvoorkomende woordgroep bij Homeros is deze: ‘hij sprak de gevleugelde woorden’. Lateur wekt de oude formule tot leven: ‘hij gaf zijn woorden vleugels’. Het werkt, kortom.
Wie deze meeslepende Ilias ter hand neemt, blijft doorlezen.’ (Piet Gerbrandy in de Volkskrant)

‘De Roy van Zuydewijn is in zijn opzet geslaagd: zijn verhalende poëzie klinkt (bijna) even natuurlijk als proza. Timmerman daarentegen weet zijn aan Homerus opgedrongen ideaal van voorname eenvoud (gelukkig) geenszins te verwezenlijken. Lateurs streven naar een natuurlijke gesproken taal wordt weliswaar zichtbaar in het vocabulaire, maar het ritme van zijn verzen is nogal eens hijgerig, stoterig en onnatuurlijk en de vertaling verwordt soms tot gekeuvel. Wie het exotische wil smaken, wende zich tot Timmerman, wie soepel wil doorlezen, neme De Roy van Zuydewijn, wie van korte versregels houdt en de ‘gevleugelde woorden’ wel kan missen, moet Lateur maar openslaan, wie Homerus voluit minnen wil, die lere Grieks. Hem zal Homerus minnen.’ (Klaas Wierenga in Nederlands Dagblad)

‘Kan Lateurs vertaling het werk van zijn voorgangers doen vergeten? Dat hangt er vanaf wat je als lezer van een Homeros-vertaling verwacht: een tekst die je naast het Griekse origineel legt, of een die je als een zelfstandig dichtwerk leest? In het eerste geval is Lateurs vertaling goed te gebruiken, maar dat geldt ook voor die van zijn voorgangers. Wie zonder kennis van de oorspronkelijke Griekse tekst de Ilias gaat lezen, zal merken dat de jambische pentameter kennelijk zo goed bij de Nederlandse taal past dat je er maar weinig van merkt. Het metrum is niet dwingend. Wanneer je de verzen hardop met geforceerde nadruk op de beklemtoonde lettergrepen leest, voel je de jamben maar merk je ook dat je vaak struikelt. Lateur blijkt, al dan niet noodgedwongen, nog al eens te smokkelen met zijn jamben. Zulke antimetrie is niet per se verkeerd, de gebruikte versmaat heeft nogal eens de neiging te gaan dreunen als er niet regelmatig een onregelmatigheid optreedt. Jamben hebben zo hun gebreken. Hexameters hebben die variatie van nature. Lang-kort-kort kan worden afgewisseld met twee lange lettergrepen, daardoor vloeien ze mooier en hebben ze minder de neiging te dreunen dan de jamben. Een nadeel is dat het Nederlands wel eens tegenstribbelt.’ (Allard Schröder in Vrij Nederland)

‘Wie zijn krachtproef leest, herkent oude teksten, maar ziet dat die gelukkig niet zijn omgezet in het Nederlands dat eigenlijk alleen toegankelijk is voor oud-gymnasiasten die zes of zeven lesuren per week zijn gedrild in klassiek Grieks. Lateurs verdienste is dat hij de boel krachtig heeft afgestoft. Hij is dicht bij de oorspronkelijke tekst gebleven, maar heeft het toch gepresteerd er prima leesbaar Nederlands van te maken. Na meer dan 2500 jaar is de Ilias daarmee weer als nieuw. Laten we hopen dat Lateur zich spoedig ook op de Odyssee stort.’ (Ronald Frisart in o.m. Noordhollands Dagblad)

‘Het genie van de vertaler.
Deze vertaling van Patrick Lateur is de eerste integrale Vlaamse vertaling, en de eerste in rijmloze, vijfvoetige jamben. Anton van Wilderode ging Lateur voor door de hele Vergilius in vijfvoetige jamben te vertalen. Lateur heeft dus een keuze gemaakt die traditie heeft. Hij wil vormvaste poëzie ook vormvast vertalen, maar hij kiest voor vormvastheid die geen keurslijf wordt, en voor een taalregister dat gedragen klinkt zonder oubollig te zijn. Het werkt, ook al levert elke hexameter bijna anderhalf vers op in het Nederlands. Oordeel zelf.
In Ilias VI, 344 – 348 spreekt de mooie Helena, door haar overspel verantwoordelijk voor de oorlog, haar schoonbroer Hektor als volgt toe, althans in de hexametrische vertaling van De Roy van Zuydewijn:

Zwáger van míj die een heílloze, wéerzinwékkende hónd ben! 
Waarom ben ik die dag, waarop mijn moeder mij baarde, 
niet door een kwade vlaag van de wind naar de bergen geblazen
of naar de luid omstortende branding der zee, waar de golven
mij zouden hebben verzwolgen, in plaats van wat werkelijk gebeurd is.

Lees deze passage hardop, tot je de dreun hoort. In de prozavertaling van M.A. Schwartz uit 1956 klinkt het zo:

Zwager van mij, een schaamteloos, verfoeielijk schepsel. Ach had op die dag, toen mijn moeder mij baarde, een boosaardige windvlaag mij meegesleurd naar de bergen of naar de golven van de ruisende zee en had de zee mij verzwolgen, voordat dit alles geschied was!

In de jamben van Lateur klinkt deze schuldbekentenis van Helena als volgt:

Mijn zwager, ik ben toch een teef die onheil
en huiver brengt…

Lateur is de enige die Helena een teef durft te noemen (pas dan merk je de zwakheid van ‘schepsel’ bij Schwartz), en de alliteratie van de t in het eerste vers (‘toch’, ‘teef’) maakt de zelfanalyse nog pregnanter. Hoed af voor deze prestatie.’ (Luc Devoldere in De Standaard – Letteren)

‘Dankbaar ben ik om de pas verschenen nieuwe vertaling van de Ilias van Homerus. Dichter-vertaler Patrick Lateur zette de vierentwintig zangen van de blinde dichter om in jambische verzen, zoals zijn idool Anton van Wilderode ooit deed bij het vertalen van de Aeneis van Vergilius. Wie passages uit de Iliasheeft gelezen vergeet ze nooit meer. Hoewel ze tweeënhalf millennium geleden werden geschreven, lijken ze zich af te spelen in het hier en nu.’ (Oscar van den Boogaard in Voelen in hoofdletters, column in De Standaard)

‘Classicus Patrick Lateur zorgde voor een dubbele primeur. Als eerste Vlaming ooit vertaalde hij heel de Ilias van Homeros en bovendien deed hij dat niet zoals gebruikelijk in hexameters of proza, maar in rijmloze vijfvoetige jamben of blanke verzen. Die sluiten beter aan bij onze gesproken taal en dat maakt die ondertussen twaalfde integrale Nederlandse vertaling uniek. […] Ook al weet je hoe het heldendicht afloopt, de poëtische en vertellende kracht van Homeros – waar deze magistrale vertaling ten volle recht aan doet – maakt dat je die turf van meer dan achthonderd bladzijden met genoegen uitleest. Het blijft tot het eind bloedstollend en ontroerend. Reden genoeg om die beroemde verhalen over de wrok van Achilles, het afscheid van Hektor en Andromache, de dood van Patroklos en het gesprek tussen Priamos en Achilles te (her)lezen in Lateurs meeslepende vertaling. Die bijna 16.000 Griekse verzen vertalen was monnikenarbeid waar Lateur zich met een dagelijkse discipline aan zette. Hij mag trots zijn op het verrichte titanenwerk. We zien nu al uit naar de vertaling van de Odyssee waar hij zich de komende jaren op toelegt.’ (Emmanuel van Lierde in Tertio)

‘Ik heb de kwaliteit van de vertaling niet kunnen nagaan. Zij is in elk geval boeiend, geschreven in een mooie open taal, en nodigt steeds uit tot verder lezen. Een goede raad: wanneer u weer eens – druk, druk, druk – snel de laatst verschenen bestseller aan het lezen bent, kom tot rust door het lezen van deze eeuwenoude, onsterfelijke poëzie.’ (K. de Jong Ozn in Friesch Dagblad)

‘De Ilias is al vele malen vertaald, maar volgens de kenners is dit een heel bijzondere.’ (Jan Hendriks in Hoogeveensche Courant)

‘Homerus had beslist kwaliteiten als psycholoog, blijkt uit de nieuwe vertaling van zijn oeroude Griekse verhaal, ‘de Ilias’ […] Na negen jaar bloedvergieten over en weer is men nog geen meter opgeschoten, integendeel. Helena hokt nog altijd met haar loverboy en de bende die uit Griekenland is opgetrokken om haar terug te krijgen, kampeert voor de muren van de stad en vecht af een toe een robbertje met de Trojanen. Geen wonder dat ze bij Ajax onderling onenigheid krijgen. Aanvoerder Agamemnon pikt het vriendinnetje van sterspeler Achilles af, Achilles trekt zich mokkend in zijn tent terug en komt daar pas weer uit nadat zijn buddy Patroklos door de Trojaanse midvoor Hektor is neergelegd. Ziedaar de plot van het verhaal, dat door Homerus natuurlijk in veel verhevener bewoordingen wordt verteld. Maar omdat James Joyce het vervolg (De Odyssee) heeft gebruikt als opstapje voor zijn roman Ulysses zonder dat Homerus ervan te lijden had, mag ik me wel lichtjes aan de Ilias vergrijpen.’ (Jaap Goedegebuure in Het Financieele Dagblad)

‘Met een stalen gezicht serveert Lateur zijn nieuwe vertaling in verzen. Die koppige keuze maakte hij echter niet om het de lezer moeilijk te maken, maar om zijn voorgangers te tonen hoe het wél moet. En dat is hem gelukt. Wat een tempo! Lateur liet de statige hexameters van De Roy van Zuydewijn achterwege en koos voor vlotte vijfvoetige jamben. Daarin permitteert hij zich bovendien zoveel vrijheid dat het metrum bijna helemaal op de achtergrond verdwijnt. Zelfs de vertaler raakt een enkele keer de pedalen kwijt. Zo telt het vers ‘mij bij de dood van Alexandros geen vergoeding’ (3.289) plots zes voeten.
Pleitbezorgers van het trage lezen blijven ontredderd achter. Toch is een vertaling waar je door kunt razen de enige mogelijkheid om de homerische epen onvervalst te beleven. Vertalers die voor moeilijk lopende verzen en vergezochte woorden kiezen – een onleesbaar hoogtepunt is de Engelse vertaling van F. W. Newman – vergeten hoe de Grieken hún Ilias ervoeren. Ze luisterden en lieten zich meeslepen. Ze konden niet terugbladeren of even nadenken over de stamboom van een voorbijflitsende wagenmenner. Lateurs Ilias is de gemakkelijkst verteerbare van de twaalf vertalingen die tot dusver in het Nederlands verschenen. En dat is geen teken van hedendaagse gemakzucht, maar van gevoel voor authenticiteit. […]
De discussie tussen poëzievertalers en proza-adepten zal allicht nooit worden beslecht. Belangrijker is dat Lateur een imposante vertaling afleverde, waarbij iedere detailkritiek in het niets vervalt. Hij overtreft zijn voorgangers huizenhoog wat leeshulp betreft. Schwartz en De Roy van Zuydewijn lieten de lezer op dat gebied immers volledig aan zijn lot over. De namenlijst en de annotaties, die ook talige interpretaties en archeologische toelichtingen niet schuwen, zijn onmisbaar voor wie zich staande wil houden in het mythologische en geografische namengeweld van de Grieken.’ (Bram Demulder in De Leeswolf)

‘Wie met de vorige vertalingen in het achterhoofd Lateurs versie leest, staat wel versteld van de snedigheid die de tekst heeft gekregen. De woordkeuze handhaaft het plechtstatige karakter, al durft Lateur concreter te vertalen dan vroeger de gewoonte was. Wanneer een godin zichzelf ‘kuon‘ (letterlijk: hond) noemt, kiest hij niet voor de omschrijving ‘verfoeilijk wezen’, zoals zijn voorgangers deden, evenmin voor ‘bitch’, wat zeer presentistisch zou aandoen, maar schrijft hij ‘teef’: direct, krachtig en toch voldoende afstandelijk. Door veel nevenschikking en korte zinnen te gebruiken krijgt de tekst vaart en blijft hij voldoende bondig, zodat het cliché van een gezwollen epische tekst goed wordt omzeild. Dit leest bijna als moderne literatuur en dat is geen geringe prestatie voor een metrische vertaling. Laat na zo een Ilias de Odyssee maar gauw volgen!’ (Maarten de Pourcq in Poëziekrant)

‘Patrick Lateur publiceert nu een tweede metrische vertaling. Terwijl de Roy van Zuydewijn voor een vertaling in hexameters opteerde heeft Lateur gekozen voor een vertaling in rijmloze, vijfvoetige jamben. In dit laatste metrum gaat weliswaar het plechtstatige karakter van het origineel (in de klassieke Oudheid was de hexameter hét epische metrum) wat verloren maar het resulteert wel in een vlottere leesbare tekst. Beide formules hebben hun voor- en nadelen. Lateur heeft in ieder geval voor een prachtige, prettig leesbare Nederlandse vertaling gezorgd die, zowel wat accuratesse als literaire kwaliteit betreft, beslist niet moet onderdoen voor de reeds bestaande vertalingen. Slechts bij uitzondering blijkt de metrische dwang tot een minder gelukkige woordkeuze te hebben geleid (dédain, gestimuleerd, en vooral het wél erg onwelluidende Trojers dat in afwisseling met Trojanen wordt gebruikt). Maar dit zijn slechts kleine schoonheidsfoutjes in een overigens vrijwel vlekkeloze vertaling. De vertaalprestatie van Lateur, die daarmee de eerste Vlaming is die een moderne, integrale vertaling van de Ilias aflevert, verdient dan ook alle lof en het is nu uitzien naar zijn vertaling van Odyssea waarvan de publicatie voor 2012 is voorzien. Deze uitgave biedt nog twee andere pluspunten: de tussentitels die de structuur van het verhaal nog beter doen uitkomen en vooral de bijzonder uitvoerige annotaties (blz. 715-781) die de lezer alle nodige toelichtingen verschaffen. Een register van eigennamen verhoogt nog het gebruiksgemak terwijl het nawoord door T. Holland heel beknopt de betekenis van dit oudste bewaarde literaire werk uit de Westerse cultuur belicht. Om de lezer een idee te geven van de poëtische zeggingskracht van de dichter en de literaire kwaliteit van de vertaling door P. Lateur geef ik tot besluit enkele voorbeelden van de zogenaamde Homerische vergelijkingen. Het was een moeilijke keuze en voor ieder opgenomen voorbeeld waren er minstens heel wat andere evenwaardige te geven. […]’ (Robert Duthoy op website Vlaamse Vereniging voor Leraren Geschiedenis en Cultuurwetenschappen)

‘Ik vermoed dat het veel lezers vergaat zoals mij: dit geeft een gevoel van opluchting. Hier niet het strakke, klassieke keurslijf van De Roy Zuydewijn, maar ook niet het breed uitwaaierend proza van Schwartz. Bij Lateur is alles goed in evenwicht: de Nederlandse verzen laten zich heel natuurlijk lezen door het vertrouwde jambische ritme. Als het al eens bij een lettergreep of accent misgaat, is er niets aan de hand en lees je er gewoon overheen.
Lateurs Nederlandse tekst is helder en levendig met mooie, niet geforceerde wendingen (‘vogels allerhande’) en adequate weergaven van de soms uitvoerige sieradjectieven (‘die treft van verre’). Geen rare afwijkingen van de gangbare syntaxis of andere ‘gymnasiaanse’ elementen – de opening met ‘De wrok…’ is een verdedigbare uitzondering. Goed, de namen blijven Grieks en klassiek, daar is nu eenmaal weinig aan te doen. Maar verder oogt dit als een tekst van de eenentwintigste eeuw. De korte versvorm biedt ook volop gelegenheid voor fraaie accenten door woordplaatsing, met name in het enjambement (wendingen die over de versgrens heen lopen; een mooi voorbeeld is ‘ontzien’ aan het slot van de passage).
Kortom, je krijgt zin om dit hardop voor te lezen. En ja, ook om door te lezen: in deze vorm is het geen straf om nog een paar duizend regels door te gaan.
Lateurs nieuwe Ilias is een bijzonder geslaagd geheel geworden. Natuurlijk zit alles erop en eraan (index, nawoord, een fraaie boekband), maar het voornaamste is toch, als altijd, de tekst. Die staat als een huis, en zal moeiteloos de stormen van de komende jaren doorstaan.’ (Vincent Hunink in Streven)

‘De waarde van de vertaling, die volgens de overige gespecialiseerde media vorige edities ver overtreft in leesbaarheid, laat zich moeilijk vergelijken zonder ouder exemplaar. Wie de proef op de som neemt en een eerdere versie erbij haalt, merkt meteen dat Lateur een enorme vrijheid ademt, wat de Ilias ontzettend veel deugd doet. Het strikte keurslijf wordt door deze vertaler radicaal verworpen en hij stelt er een heel aangename, ongedwongen vorm tegenover die zelfs voor jongere lezers toegankelijk is. De jamben zijn natuurlijk geen spreektaal, maar Lateur heeft het modale Nederlands zonder overdrijven zeer goed benaderd. We hebben er lang moeten op wachten, maar het Nederlands heeft dankzij Patrick Lateur nu een definitieve Homeros-vertaling. Een titanenarbeid, maar die heeft zijn vruchten dubbel en dik afgeworpen.’ (Jan-Jakob Delanoye op Cuttingedge.be)

‘Patrick Lateur heeft een nieuwe vertaling van de Ilias gemaakt in jambische vijfvoeters, die krachtig, fris en vol vaart is. Geen spoor van de plechtstatigheid of schoolsheid die veel oudere vertalingen aankleeft. Prima geschikt om voor te lezen, heb ik vastgesteld en ik zie een toneelbewerking al voor me. […] Lateurs vertaling heeft vaart en directheid maar mist de grootsheid en de brede adem van Homerus. Misschien heeft dit te maken met zijn metrumkeuze. […] Alle drie (d.w.z. Arnold, Kuiper en d’Hane-Scheltema) zijn voorstander van vertalen in dactylische hexameters, en zij geven ook suggesties hoe Engelse respectievelijk Nederlandse hexameterpoëzie zou kunnen slagen. Lateur is zeker geen ‘naïeve’ vertaler, zijn vertaalstrategie is doordacht. Zo heeft hij de epitheta behouden en toch gekunsteldheid weten te vermijden, en dat is knap. […] Het boek wordt afgesloten door een wat oppervlakkig nawoord van Tom Holland, een waardevolle verantwoording van de vertaling, nuttige annotaties met veel kruisverwijzingen en een zeer welkom namenregister.’ (Bas van der Mije in Hermeneus)

‘Voor relatief weinig geld (!) koopt men de allernieuwste vertaling van de Ilias door Vlaanderens bekendste vertaler, Patrick Lateur. Hij heeft er jaren aan gewerkt en het resultaat is navenant uitgegeven. Wat deze vertaling echt boven de rest doet afsteken (zonder aan de rest evenwel afbreuk te doen) is dat Lateur geopteerd heeft voor een jambische vertaling, omdat het Nederlands jambisch is. Geen prozavertaling en geen hexameters (zoals het origineel). Voor Lateur is Grieks Grieks en Nederlands en Nederlands. Dat is voorwaar een gewaagde opzet in het wereldje van vertalers dat er gewoonlijk prat op gaat om zo dicht mogelijk bij het origineel aan te sluiten! De prachtige uitgave is verder voorzien van een zeer uitgebreide uitleiding, alsook een degelijk becommentarieerd register. Een voorbeeldige uitgave, een must voor de liefhebbers van literatuur.’ (ES op christusrex.be)

geselecteerd

Het schild van Achilles, 18. 478-608
Hefaistos smeedde eerst een machtig schild,
naar alle kanten fraai bewerkt en stevig,
en eromheen een rand die blonk, drie lagen
van fonkelend metaal, daaraan een draagriem                   480
uit zilverwerk. Het schild zelf had vijf lagen,
met kunde en vernuft royaal versierd.
Hij beeldde daar de aarde uit, de hemel,
de zee, de nooit vermoeide zon, de maan
in al haar volheid, alle sterrenbeelden
waarmee de hemel zich rondom bekranst,
Plejaden en Hyaden en Orion,
de Beer, die mensen ook de Wagen noemen:
hij draait altijd op één plaats rond, hij houdt
sterke Orion in het oog en baadt zich
als enige nooit in Okeanos.
Hij smeedde er twee mooie steden op                        490
van sterfelijke mensen. In de ene
vierde men bruiloften en feestgelagen.
De bruiden werden uit hun slaapvertrekken
met flikkerende fakkels door de stad
gevoerd en luid weerklonk het bruiloftslied.
En jonge dansers draaiden in het rond,
schalmei en citer klonken in hun midden.
De vrouwen stonden vol bewondering
elk in de deurpost van hun huis te kijken.
Maar op het marktplein stond een menigte
opeengepakt. Er was een twist ontstaan,
twee mannen maakten ruzie om het zoengeld
voor een vermoorde man. De een bezwoer
de omstanders heel plechtig dat hij alles
betaald had, maar de andere hield staande
dat hij niets hoegenaamd ontvangen had.                           500
De twee wilden een uitspraak van een rechter.
De massa juichte elk van beiden toe,
opkomend voor de een of voor de ander,
maar de herauten hielden hen op afstand,
terwijl de oudsten in gewijde kring
op gepolijste stenen banken zaten.
Zij droegen elk een scepter in de hand
zoals herauten met de klare stem.
En daarmee stonden zij dan telkens op
om beurtelings hun oordeel uit te spreken.
Er lagen in het midden twee talenten
van goud, bestemd voor hem die in hun kring
het meest rechtvaardig oordeel uit zou spreken.
Twee legers lagen rond de andere stad,
de krijgers glansden in hun wapenrusting.                           510
Twee plannen droegen hun goedkeuring weg,
maar twijfel was er of zij nu de stad
geheel zouden verwoesten of al wat
de liefelijke stad bezat verdelen
onder bewoners en belegeraars.
Maar de belegerden vertrouwden hen
nog niet en wapenden zich heimelijk
om bij de stad een hinderlaag te leggen.
Hun lieve vrouwen, jonge kinderen
en mannen door de oude dag bezwaard:
zij stonden boven op de muur op wacht.
De anderen trokken op om strijd te voeren
onder bevel van Ares en van Pallas
Athena, beiden in een gouden glans.
Van goud ook de gewaden die zij droegen.
Zij waren groots en prachtig in hun rusting,
zoals het goden past, en beiden heel
opvallend. En veel kleiner was het krijgsvolk
beneden hen. Zij kwamen op een plaats
die hun geschikt leek voor een hinderlaag                            520
en zetten zich daar neer in een rivierbed,
een wed waar al het weidend vee kon drinken.
Daar zaten zij gehuld in vonkend brons.
Verder posteerden zij nog twee verspieders
die afgezonderd van het krijgsvolk zaten
en wachtten tot zij schapen zouden zien
en runderen met kromme hoorns. Algauw
verschenen ze, twee hoeders volgden hen
en speelden vrolijk op hun herdersfluit.
Zij hadden geen vermoeden van de valstrik.
Toen zij hen zagen komen, stormden zij
naar hen vanuit hun hinderlaag en sneden
de troepen rundvee en de mooie kudden
met witte schapen door omsingeling
de weg af. En zij doodden de twee herders.
Toen de belegeraars, bijeen gezeten                                     530
voor overleg, het luid rumoer vernamen
dat oprees uit het vee, bestegen zij
onmiddellijk hun trappelende paarden,
zij rukten uit en waren snel ter plaatse.
En langs de oevers van de stroom werd er
in slagorde een felle strijd geleverd,
met bronzen speren troffen zij elkaar.
De Twist vocht met hen mee en de Paniek
en de verderfelijke Doodsgodin,
die eerst een pas gewonde greep, nog levend,
toen een die nog geen wonde had, en soms
een dode die zij bij zijn beide voeten
dwars door het strijdgewoel met zich bleef slepen.
Het kleed dat rond haar schouders lag, was rood
van krijgersbloed. Zij vochten mee en streden
als sterfelijke levenden, ontrukten
elkaar de lijken van gesneuvelden.                                         540
Hij beeldde ook een malse akker af,
een uitgestrekt stuk bouwland, vruchtbaar, jaarlijks
wel driemaal omgeploegd. Daar waren tal
van ploegers die hun spannen bleven drijven
en keren, heen en weer. Bereikten zij
eenmaal gekeerd opnieuw de akkerrand,
dan kwam een man hen steevast tegemoet
die hun een beker honingzoete wijn
in handen gaf. Zij wendden dan opnieuw
de ploegen door de voren, vol verlangen
om aan het einde van het weidse veld
te komen. En de aarde achter hen
werd donkerzwart, het leek vers omgeploegd,
ofschoon het goudwerk was. Want inderdaad,
dit smeedwerk was een bovenmatig wonder.
Hij beeldde ook een koninklijk domein af.                        550
Met scherpe sikkels in de handen stonden
de dagloners te maaien. En hier vielen
in dichte rijen halmen naast de voren
ter aarde, daar werden dan weer door binders
de garven met een stroband ingebonden.
Drie schovenbinders waren er te zien
en knapen raapten achter hen de garven
bijeen en brachten die onafgebroken,
de armen vol, tot bij de busselbinders.
De scepter in de hand en blij van hart
stond zwijgend in hun midden bij het maaiveld
de koning. Dienaars maakten verderop
onder een eik een maaltijd klaar, druk bezig
met een groot rund, zojuist door hen geslacht.
Als middageten voor de werkers kneedden
de vrouwen gerstemeel tot witte massa’s.                                560
Hij smeedde ook een mooie gouden wijngaard,
met druiven welig overladen, zwart
het smeedwerk van de trossen, stokken
van zilver over heel de gaard verspreid.
Rondom groef hij een gracht uit van kobaltglas
en trok er een omheining op uit tin.
Eén enkel voetpad leidde naar de wingerds
en daarlangs keerden dragers telkens weer
met druiven die zij in de wijngaard plukten.
In uitgelaten stemming droegen meisjes
en jongens in gevlochten korven vruchten
zo zoet als honing. In hun midden speelde
een knaap op zijn melodieuze citer
bekoorlijke muziek en zong daarbij
met tere stem het heerlijk lied van Linos.                                  570
Zij stampten in de maat en volgden zo
al huppelend zijn zangen en zijn kreten.
Hij smeedde ook een kudde runderen
met rechte horens, koebeesten uit goud
en tin gedreven, en zij draafden loeiend
vanuit hun stalling naar het weideveld
dicht bij een ruisend water, wuivend riet.
En naast de koeien liep een viertal herders,
allen van goud, gevolgd door negen honden
met snelle poten. Maar luid brullend werd
een stier vóór in de kudde vastgegrepen
door twee verschrikkelijke leeuwen, die hem
meesleurden onder vreselijk geloei.                                           580
De honden en de jonge kerels gingen
achter hem aan. De leeuwen hadden reeds
de huid opengescheurd, en slurpten nu
de ingewanden en het donker bloed
van die immense stier. Vergeefs probeerden
de herders beide leeuwen weg te jagen
en hitsten dus hun snelle honden aan.
Maar deze waagden het wel niet de leeuwen
te bijten, kwamen heel dicht bij hen staan
en bleven blaffen, sprongen steeds terug.
De wijd en zijd vermaarde manke god
heeft in een prachtig dal een grote weide
gesmeed met witte schapen, stallen ook,
en hutten en goed overdekte kooien.
De wijd en zijd vermaarde manke god                                590
heeft ook een dansplaats kunstig afgebeeld,
zoals weleer door Daidalos met zorg
gemaakt werd in het uitgestrekte Knossos
voor Ariadne met de mooie lokken.
Daar dansten jonge kerels, jonge meisjes
wier bruidsgeschenk veel runderen omvatte,
zij hielden met de hand elkanders pols vast.
De meisjes droegen fijne linnen kleren,
de jongens goed gesponnen chitons, zacht
geglansd met olie. En de eersten hadden
een mooie diadeem, de jongemannen
een gouden mes dat aan een draagriem hing
van zilver. Nu eens liepen zij heel licht
van voet en heel bedreven in het rond,
zoals de draaischijf van een pottenbakker
goed in zijn handen past – de man gaat zitten                             600
om na te gaan of zij wel soepel loopt.
En dan weer liepen zij in rijen op
elkander toe. Een grote menigte
stond rond de liefelijke dans geschaard
en vond er vreugde in. En in hun midden
maakten twee duikelaars hun buitelingen
zodra gezang en dans was ingezet.
Hefaistos beeldde op de buitenrand
van het met zorg gesmede schild de grote
en sterke stroom uit van Okeanos.