Honderd fabels — Leon Battista Alberti

Honderd fabels — Leon Battista Alberti
Honderd fabels — Leon Battista Alberti

Leon Battista Alberti
Honderd Fabels
Uitgeverij P
Leuven, 2003 (64 pp.)
1e druk
ISBN 90 76895 36 8

uit de persgeselecteerd

Nog vóór Da Vinci en Michelangelo kende de Italiaanse renaissance een ander groot genie, dat later in hun schaduw evenwel minder beroemd werd. Leon Battista Alberti (Genua, 1404-Rome, 1472), grote vriend van Brunelleschi, tekent niet alleen voor een aantal belangrijke bouwwerken in Florence, Rimini en Mantua, maar ook voor een reeks geschriften die een enorme invloed zouden uitoefenen, o.m. Libri della famiglia. Met zijn bouwkundig tractaat De re aedificatoria werd hij zelfs de nieuwe Vitruvius genoemd. Eind 1437 schreef hij in Bologna Apologi centum, een verzameling van honderd Latijnse fabels. In de geest van Aesopos en Phaedrus bedacht hij fabels waarin nu niet alleen dieren, maar ook planten en voorwerpen voorkomen, zoals Leonardo da Vinci het hem een halve eeuw later zou nadoen. Een andere vernieuwing van het genre brengt Alberti door zijn fabels geen zedenles mee te geven, in tegenstelling tot zijn antieke voorgangers en de latere Jean de La Fontaine. Alberti steekt geen moraliserend vingertje op en neemt in zijn bondige fabels de lezer niet bij de hand, maar als een moderne auteur respecteert hij de autonomie van wie zijn wondere fantasiewereld betreedt. Met deze vertaling wordt een tot dusver onbekende lacune uit de fabelliteratuur aangevuld.

uit de pers

‘Het register van eigennamen is zeer beknopt. Een lezersvriendelijk notenapparaat had het boekje nog waardevoller kunnen maken. Desondanks is het toe te juichen dat de tekstbezorger-vertaler en de uitgeverij deze relatief minder bekende tekst opnieuw ontsloten hebben voor een breder Nederlandstalig publiek. Hoewel, wat heet breder? Vierhonderd gedrukte exemplaren is niet veel. Het werk (gepresenteerd op mooi 170-gramspapier overigens) verdient er veel meer.’ (Paul Verhuyck in Tijd Cultuur)

‘Het geheel is discreet geïllustreerd met klassieke afbeeldingen. Patrick Lateur, classicus en hoofdredacteur van het tijdschrift Vlaanderen, bracht met deze bloemlezing een ode aan een (ten ornechte) onbekende dichter van fabelliteratuur.’ (Yves Joris in Meander)

‘De moraal blijft in de fabels achterwege en het is vaak een puzzel te achterhalen wat er eigenlijk gezegd wordt. De verhaaltjes zijn niet eenduidig, niet simpel en buitengewoon kort geformuleerd. Gelukkig biedt een uitleiding met verwijzingen voldoende houvast.’ (Clara Strijbosch in De Volkskrant)

‘[…] goed en vlot vertaald. De interessante inleiding, waarin soms naar specifieke fabels verwezen wordt, en een register van eigennamen maakten de verklarende noten overbodig.’ (LeesIdee)

‘De voordien onbekende fabels worden geëerd door deze prachtige uitgave. Ze zijn in zeer fraai Nederlands vertaald. Het geheel is klassiek geïllustreerd met 16de eeuwse houtsneden. Verzorgde tweetalige uitgave.’ (Nederlandse Bibliotheek Dienst)

‘De vertaling zelf moeten we niet aanprijzen: iedereen die enigszins vertrouwd is met de vertalingskunst van Patrick Lateur, weet hier iets van het fijnste gehalte aangeboden te zullen krijgen. De fabels zijn in proza gesteld en zeer toegankelijk voor een jeugdig publiek. Mits enige aanpassing (vereenvoudiging) van het Latijn kunnen ze uitmuntende diensten bewijzen voor de Latijnse beginlectuur in het eerste jaar secundair, en zonder aanpassingen ook in vervolgjaren.’ (Prora)

‘Met zijn vertaling van de Honderd fabels heeft P. Lateur heel wat verdiensten. Hij vestigt de aandacht op een grote figuur uit de Renaissance, die eens niet Leonardo da Vinci, Michelangelo of Erasmus heet. Wie L.B. Alberti kende als architect en kunsttheoreticus ontdekt nu ook de literator. De vertaling zelf is keurig en eenvoudig gehouden, waarbij P. Lateur erin slaagt bijna gelijke tred te houden met de brevitas van het origineel. Ten slotte zijn we bijzonder gelukkig met de tweetalige uitgave. Neolatijnse teksten zijn immers niet altijd gemakkelijk te vinden, zeker niet als je niet in de buurt van een grote of universitaire bibliotheek woont.’ (Marc Vercruysse in Kleio. Tijdschrift voor oude talen en antieke cultuur)

geselecteerd

De zon had door een glazen kelk vol water een regenboog geschilderd op het altaar. Tot zijn eer en glorie schreef het water dit kunstwerk toe aan zichzelf. De kelk ging daar tegenin: ‘Was ik niet doorschijnend en een en al schittering, dan zou het niet te zien zijn.’ Het altaar hoorde dat, zweeg stilletjes en was er blij om dat die buitengewone eer hem toekwam.

De rietfluit lag onder het stof bedolven. ‘Wij, dichters,’ zei ze, ‘zingen niet als we verzadigd zijn.’

Het boek, waarin alle boekenwijsheid was opgenomen, riep om hulp om niet door de spitsmuis te worden uitgevreten. De muis grijnslachte.

De jachthond lag aan de ketting gebonden, zag andere honden doelloos loslopen en spelen en zei toen: ‘Is onbekwaamheid dan zoveel beter?’

Toen de zeeman met een enorme opbrengst behouden in de haven was teruggekeerd, besloot hij Neptunus een ex-voto op te dragen, omdat hij een bijzonder gunstige vaart had gekend. Daarom vroegen de scheepsmast, de ankers en de scheepstouwen van alle kanten tegelijk dat hij hun die eer zou geven. ‘Het is beter dat ik het roer ophang,’ zei de zeeman, ‘want dat kost minder.’

Het meisje at een peerlijsterbes en vroeg hoe het toch kwam dat die bes vroeger een bittere smaak had ondanks haar heel lief uitzicht, en waarom ze nu toch zo goed was geworden, hoewel ze er zo lelijk uitzag. Zij antwoordde: ‘Waarom? Denk jij dan misschien dat bekoorlijkheid makkelijk samengaat met rijpheid?’

Het Venusbeeld keek Praxiteles zonder gêne aan. Hij verzocht het steeds weer opnieuw met overtuigende woorden, aansporingen, smeekbeden en uiteindelijk ook met scheldwoorden en dreigementen haar ondeugende blik te corrigeren. Tevergeefs. Tenslotte oordeelde hij dat hij die maar weg moest nemen met de beitel.

De os werd bij de hoorns op een vrachtschip gehesen. Zolang hij met zijn poten op de grond stond, wenste hij dat het touw, waar hij aan vastgebonden was, brak. Maar toen hij in de lucht hing, wenste hij dat het niet brak. ‘Zie,’ zei het touw, ‘hoe hij naargelang het hem uitkomt hoopt op mijn welzijn en mijn ondergang.’

Die wijdvermaarde haas, waarover de dichter Martialis schrijft, was in een leeuwenmuil gevlucht. Van ver zag hij de honden blaffen, die hem verbeten achterna hadden gezeten. En hij zei: ‘Zie eens hoe belangrijk het is me aan dit dier toe te vertrouwen!’