Dichters hebben vele moeders

Dichters hebben vele moeders
Dichters hebben vele moeders

Dichters hebben vele moeders
Uitgeverij Voltaire
‘s-Hertogenbosch, 2007 (180 pp.)
1e druk
ISBN 90 5848 072 0

uit de persgeselecteerd

Dichters over dichters: zo zou men een hele reeks Griekse epigrammen kunnen omschrijven. Leonidas beweert dat Homeros alle zangers doet verbleken die na hem komen. Over de bijtende Archilochos dicht Gaitulikos dat zelfs de wespen op zijn graf gevaarlijk blijven. Sapfo is de tiende muze, schrijft Plato. En Antipatros zegt dat bijen de lippen van de kleine Pindaros zoet maakten. Dergelijke uitspraken vertellen veel over beeldvorming van kleine en grote namen uit de Griekse literatuur. Ze zijn te vinden in een paar honderd epigrammen uit de Anthologia Graeca, een wondere bloemlezing van meer dan vierduizend puntdichten verspreid over meer dan duizend jaar. De literair-historische draad die door de epigrammen loopt, informeert ons niet alleen over de receptie van Griekse dichters, maar ook over Apollo en de Muzen, over de bezigheid en de materiële kanten van het dichtersleven, over minder bekende dichteressen in de schaduw van Sapfo, enz. Bovendien zijn al deze puntdichten wat elk epigram wil zijn: korte, snedige gedichtjes die in een beeldende taal en met een precieuze woordkeuze de lezer laten genieten van hun poëtische kracht. Dichters hebben vele moeders is een verrassende tweetalige anthologie uit een aloude Griekse bloemlezing en vormt een grote tuil met kleine literaire bloemen die een onverwacht licht werpen op de Griekse literatuur van Homeros tot Palladas.

Dichters hebben vele moeders werd genomineerd voor de Filter Vertaalprijs 2008 (www.tijdschrift-filter.nl).

uit de pers

‘Maar het mooiste is dat Lateur de gedichten vertaalt in een schitterend Nederlands, waardoor de vertaalde teksten ook werkelijk als poëzie gelezen kunnen worden. In een bedrieglijk eenvoudig lijkende stijl, die is ontdaan van alle klassieke poeha (inclusief het keurslijf van het antieke metrum), en met aangenaam veel wit op de pagina komen de Griekse verzen prachtig tot leven. Het is of er door de vertaalde verzen een Mediterrane wind waait, een sensuele, geurige warmte, die in de originele teksten wel aanwezig is, maar voor niet-antieke lezers opgesloten en onbereikbaar blijft. De vertaalde verzen lijken meer dan eens op korte verzen van Kaváfis.’ (Vincent Hunink in Filter)

‘Een zeer origineel samengestelde, tweetalige, in prettig leesbaar Nederlands vertaalde bloemlezing van Griekse epigrammen uit ca. de 6e eeuw voor tot de 6e eeuw na Christus. De heldere inleiding geeft ook een indruk van wat er verder nog in ons taalgebied verschenen is uit dit genre poezie. […] De Nederlandse vertaling — van Patrick Lateur — is een feest om te lezen, en zal ongetwijfeld velen aanspreken. Goed bruikbaar ook voor jonge gymnasiasten. De aantekeningen zijn kort maar informatief; de naamregisters heel nuttig.’ (NBD|Biblion)

‘Lateurs eigenzinnige stem als vertaler levert vlot leesbare en in hun poëtische eigenheid heel overtuigende teksten op. […] Dichters hebben vele moeders zal, ook voor wie niet op een directe manier vertrouwd is met de grote momenten uit de Griekse literatuur, verrassende perspectieven weten te openen, niet alleen op het genre van het epigram, maar evenzeer op de ongekende rijkdom van al die grote auteurs die erin aan bod komen.’ (Jooris Van Hulle in Poëziekrant)

geselecteerd

Tjirpende cicade,
dronken van druppels dauw,
je zingt een wijsje van te lande
dat eenzaam in het wild weerklinkt.
Hoog gezeten in het lover
strijk je met getande pootjes
uit je bruingebrande lijfje
klanken van een lier.
Vriendje, kom, bedenk
voor boomnimfen iets nieuws,
een helder deuntje, luid en schel,
een tegenzang voor Pan.

Ik vlucht voor Eros,
op dit middaguur wil ik
een uiltje vangen, hier
luilekker in het lommer
van een plataan.

(Meleagros, 7.196)

Nog steeds luisteren we naar
het klaaglied van Andromache,
nog steeds zien we hoe
heel Troje grondig wordt neergehaald,
we zien het strijdgewoel van Ajax,
Hektor gebonden aan het paardenspan
en met geweld gesleurd
onder de tinnen van de stad
we zien het
dankzij de verzen van de Lydische zanger.

Niet één stad eist de eer op
zijn vaderstad te zijn,
alle landen doen het
van Oost tot West.

(Alfeios van Mytilene, 9.97)

Beoordeel de dode niet naar zijn grafsteen.
Klein is de heuvel die je ziet,
groot is de man wiens gebeente hij bewaart.
Je kent hem: Alkman.

Beter dan wie ook
bespeelde hij de Spartaanse lier,
hij was één van de negen grote dichters.

Hier rust hij, bron van twist
tussen twee gebieden:
Lydië en Sparta.
Dichters hebben vele moeders.

(Antipatros van Thessalonike, 7.18)

Machtig klonk uit Thebe
de stem van Pindaros,
de Muze van Simonides ademde
vreugde in zoetgevooisde zangen,
schitterend Stesichoros en Ibykos,
Alkman klonk liefelijk,
fijne klanken kwamen uit
de mond van Bakchylides,
onweerstaanbaar het lied van Anakreon,
Alkaios, de zwaan van Lesbos,
bezorgde Aiolië kleurrijke gezangen.

Van die mannelijke dichters
was Sapfo niet de negende:
op de lijst van liefelijke Muzen
komt zij
als tiende Muze.

(anoniem, 9.571)

Eeuwig zou kruipende klimop
met zachte voet zich moeten spreiden
over je schitterend graf,
goddelijke Sofokles.
Eeuwig zou je tombe bedauwd moeten worden
door bijen – ontstaan uit een rund –
en druipen van Hymettos’ honing.

Eeuwig zou er dan voor jou
een glans van was glijden
in je Attische schrijftafel.
Eeuwig zouden je lokken zich hullen
in zegekransen.

(Erykios, 7.36)

Weinig verzen schreef Erinna,
geen langdradige gezangen,
maar uit dit kort gedicht van haar
spreekt de Muze.
Zo verdween zij niet uit de herinnering,
de zwarte nacht omhult haar niet
met het duister van haar vleugel.

Maar, voorbijganger,
wij, de nieuwe dichters,
wij kwijnen weg met duizenden,
in niet te tellen hopen worden wij vergeten.
Een korte zwanenzang is meer
waard dan gekras van kraaien
dat wijduit echoot in de lentewolken.

(Antipatros van Sidon, 7.713)

Je stuurt me vellen
papier wit als sneeuw
en pennen, een geschenk
van de oevers van de Nijl.

Dionysios, zend een dichter
niet langer nutteloos gerief.
Wat moet hij daarmee
zonder inkt?

(Leonidas van Alexandrië, 9.350)