Dichter bij Jan de Smedt

Dichter bij Jan de Smedt
Dichter bij Jan de Smedt

Dichter bij Jan de Smedt
Stichting de Moffarts
Lummen, 2008 (56 pp.)
1e druk

uit de persgeselecteerd

De tentoonstelling Dichter bij Jan de Smedt, beeldhouwwerken en schilderijen van Jan de Smedt in combinatie met poëzie van bekende dichters vond plaats in Kasteeldomein het Hamel in Lummen van 20 april tot 8 juni 2008. Patrick Lateur stelde de catalogus samen, selecteerde de gedichten en schreef zelf een nieuw vers bij werk van Jan de Smedt.

Meer info op: http://www.stichting-demoffarts.be/data/JdSmetNL.pdf.

uit de pers

‘Af en toe — gelukkig maar — maken we het mee dat een tentoonstellingscatalogus meer wordt dan een reeks afbeeldingen en titels van werken. De bloemlezing Dichter bij Jan de Smedt bundelt gedichten die specifiek werden geschreven rond en bij het oeuvre van Jan de Smedt (1905-1954).’ (Jooris van Hulle in Tertio)

geselecteerd

Uit de inleiding:

[…] Het intimistische werk van Jan de Smedt heeft veel dichters geïnspireerd. Weinigen onder hen hebben de kunstenaar zelf gekend, maar kwamen onder de indruk van een oeuvre dat haast als vanzelf uitnodigt tot een verder uitschrijven van de wereld die spreekt uit zijn beelden en schilderijen. Tot de oudste gedichten behoort Het huis van de schilder, dat Anton van Wilderode in 1979 publiceerde in de catalogus van de retrospectieve tentoonstelling te Mechelen. Het jaar daarvoor was Pieter-Geert Buckinx bij een bezoek aan het atelier van de inmiddels reeds veertien jaar overleden kunstenaar onder de indruk van zijn oeuvre en schreef op 25 november 1978 in het gastenboek: “Het jongenskopje van Jan de Smedt heeft mij getroffen en diep ontroerd en zal mij zonder twijfel inspireren tot het schrijven van een gedicht, dat ik aan Raf de Smedt zal opdragen.” Dit contact met Buckinx inspireerde Raphaël de Smedt naar eigen zeggen om nog andere dichters aan te spreken (cf. Cimelia 13, p.23).
De gedichten, waarvan er ook vele in het Frans werden vertaald door Roger Brucher, verschenen vooral in tentoonstellingscatalogi en in de met veel zorg uitgegeven reeks Cimelia Jan de Smedt van Mechelen. Voor die reeks bedacht Raphaël de Smedt een prachtige naam, die teruggaat op het Griekse woord keimèlion, dat kostbaarheid betekent en dat C. Kiliaan in zijn Etymologicum Teutonicae Linguae uit 1599 onder het woord iuweel ook verklaart als kleyn-nood. Maar dat het woord voor het eerst voorkomt in Homeros’ Ilias 6.47 heeft voor de Cimelia-reeks een onvermoede bijkomende betekenis. In de zesde zang van het homerische epos weet de Trojaan Adrestos zich bedreigd door de Griek Menelaos en vraagt hij hem zijn leven te sparen in ruil voor kostbaarheden (keimèlia) die zijn vader bezit: Want mijn vader is vermogend, / hij heeft in zijn paleis veel kostbaarheden. In de vijfentwintig deeltjes van de Cimelia-reeks houdt de zoon de herinnering vast aan de kostbaarheden, het schilder- en beeldhouwwerk, uit het vaderhuis.
De verzen die bij het werk van Jan de Smedt werden geschreven zijn niet zomaar gelegenheidsgedichten, die nadien zijn weggedeemsterd. Sommige ervan verschenen in literaire tijdschriften: Buckinx’ gedicht werd opgenomen in Dietsche Warande & Belfort, Fa Claes publiceerde de aan Jan de Smedt opgedragen cyclus Aardse suite in Kruispunt, Marines van Hubert van Herreweghen – dat in deze catalogus in de oorspronkelijke versie en onder de oorspronkelijke titel Bij een kleine marine is opgenomen – verscheen eerst in Vlaanderen en daarna nog in Kreatief. Het zesde zegel, het jongste gedicht in de reeks, was in november 2007 het gedicht van de maand in de Digitale bibliotheek van de Nederlandse letteren en is op de website van dbnl in het archief te vinden. Bepaalde gedichten werden ook opgenomen in bundels: Herwig Hensen nam in zijn Verzamelde gedichten een herwerkte versie van Vloedgolf op, Horizontaal van Anton van Wilderode werd postuum gebundeld in Nagelaten gedichten en Hubert van Herreweghen nam Bij een kleine marine op in Kornoeljebloed en de bibliofiele editie Fluitenkruid, het andere gedicht Marine VII kreeg een plaats in Een kortwoonst in de heuvels. Uit zijn bundel Gebinte van een naam koos Rudolf van de Perre het gedicht Lezende vrouw dat perfect samenvalt met een gelijknamig en verwant schilderij van Jan de Smedt. Het pleit voor de kwaliteit van het werk van Jan de Smedt dat gedichten bij zijn schilderijen en beeldhouwwerk een eigen leven gingen leiden in literaire tijdschriften en in het gebundeld werk van dichters. De Smedt inspireerde hen duidelijk tot verzen die blijven en beklijven.

[…]

Het zesde zegel
bij Vóór het venster van Jan de Smedt

Van buiten valt diffuus het laatste licht
dat spaarzaam haar beloken kamer vult,
maar helder oplicht op het zacht gezicht
waar zij zijn zorgen en zijn zeer verhult.

De vinger op de pas gelezen regel
die haar heel even weg doet dromen:
leest zij het Boek, las zij het zesde zegel
dat na het laatste leed het lam laat komen?

Zij zwijgt afwezig. Ik mag enkel raden.
Straks sluit zij zelfs het boek onhoorbaar dicht
en blijven er nog ongelezen bladen.
Van binnen voelt zij voor het eerst een licht.

Patrick Lateur
09/10/2007