Carmina miscellanea

Carmina miscellanea
Carmina miscellanea

Carmina miscellanea
Uitgeverij P
Leuven, 2006 (64 pp.)
1e druk
ISBN 90 77757 74 0
€ 12,50 — bestel

uit de persgeselecteerd

Naast de zes bundels die Patrick Lateur tot dusver publiceerde, heeft hij vanaf zijn debuut Catacomben (1991) geregeld ook gedichten geschreven bij allerlei gelegenheden, o.m. ook in opdracht. In Carmina miscellanea wordt een ruime selectie uit deze verspreide gedichten gebundeld en in drie reeksen ondergebracht: gedichten bij kunstwerken, verzen met een historische en/of religieuze thematiek en familiaria. Deze gedichten met een klassieke signatuur liggen in de lijn van het andere werk van Lateur, maar illustreren op een heel eigen manier de betrokkenheid van de dichter bij gebeurtenissen binnen de culturele, religieuze of familiale context.

uit de pers

‘Dit is “gelegenheidspoëzie”, maar dan in de goede betekenis van het woord. Daarbij gaat de bundel omzeggens van ‘publieke’ naar ‘privé’gedichten. De eerste reeks bevat een aantal verzen die zijn ontstaan naar aanleiding van kunstwerken. Lateur verbindt hier zijn culturele eruditie met het oog van de waarnemer, waardoor een interactie ontstaat tussen het werk in kwestie en de toeschouwer. Die betrokkenheid is essentieel voor de esthetische ervaring, maar tegelijk probeert de dichter ook een zekere afstandelijkheid in te bouwen. Datzelfde streven naar inleving én een zekere objectiviteit klinkt ook door in de andere afdelingen, die geschreven zijn voor vrienden of vanuit een religieuze inspiratie. Deze bundel is daardoor nogal heterogeen, maar dat neemt niet weg dat hij enkele bijzonder boeiende verzen bevat, die de betere Patrick Lateur laten zien.’ (Dirk de Geest in Leeswolf)

geselecteerd

Johannes de eyck fuit hic
bij ‘Het Arnolfini-echtpaar’

1.

Het spiegeloog dat niets ontgaat, besluit
het laat bezoek dat hij met tere hand
en dromig ongeduld ten afscheid duidt.
En zij, dicht bij het rode ledikant,

legt toegewijd, nauw voelbaar en beraden
haar wezen in zijn palm, verdicht de brede
plooival van fluweel en droomt zich gade
en moeder in dit vreemde huis van vrede.

Ten voeten uit getekend door de trouw
verhalen zij op kleur en stof de geest,
een glimp der eeuwigheid, nu man en vrouw
voor ´t eerst. Want Jan van Eyck is hier geweest.

2.

Ver weg het feestgedruis van boven, wég
het hoogland van retabels en van kerken.
“Want, vriend Giovanni, als ich can, dan leg
ik in dit huis de veelheid van mijn werken.

Jouw ramen open op de verre reis,
haar hemelbed dat wacht. Maar in de tover
van oog en hand het woordeloos bewijs:
van jullie eerste woord gaat niets verloren.”

Reeds lagen muiltjes achteloos ter zij
en maakte ik het sluitstuk op dit feest
van zinnen en mysterie: olie, lijn
en kleur. Want ik, van Eyck, ben hier geweest.

Ikaros
bij een beeld van Paul van Gysegem

Waar ben je dan?
Waar vind ik je?
De vaderlijke vleugels ver
voorbij, geen band
die knelt of knielen doet.

Een zwevende
tussen zee en zon
in vrije vlucht of
val.

De vrijheid van de vogel mens,
de geest vliegt waar hij wil.
De hoogmoed van de kennis,
de mens valt als een steen.

Een zwervende
tussen licht en duister,
tussen berg en
dal.

Waar vindt men mij?
Waar ben ik dan?