Canticum evangelicum — Alda Merini

Canticum evangelicum — Alda Merini
Canticum evangelicum — Alda Merini

Alda Merini
Canticum evangelicum
Uitgeverij P
Leuven, 2011 (80 pp.)
1e druk
ISBN 978 90 79433 88 9

uit de persgeselecteerd

Door Dario Fo voorgedragen voor de Nobelprijs, hoog gewaardeerd door Pier Paolo Pasolini: Alda Merini (1931-2009), een icoon die een staatsbegrafenis kreeg in de Dom van Milaan. Bij ons bleef de dichteres veelal onbekend. Getekend door een waanzin die haar jarenlang kwelde maar nooit kleinkreeg, zocht Merini als een vrijzinnig gelovige naar de zin van leven en liefde. Naast indrukwekkende bundels liefdespoëzie schreef zij vooral in de laatste tien jaren van haar dichterschap intrigerende verzen met een haast mystieke inslag.
In Cantico dei Vangeli (2006) evoceert zij met een visionaire kracht en in expressieve verzen het handelen, en vooral het spreken en zwijgen van sleutelfiguren uit de evangelies: Jezus en Maria, Petrus en Johannes, Judas en Pilatus, Lazarus en Maria van Magdala. Het woord is vooral dat van de Jezusfiguur, die wanhopig zoekt om zich een weg te banen in het hart van de mensen, de stilte is de vaak geprikkelde reactie van hen die niet weten hoe te reageren op zijn aanwezigheid die hen in de war brengt. De figuren krijgen bijzonder menselijke, bij momenten sterk realistische en zinnelijke trekken doorheen de vragen en twijfels die hen bezighouden.

uit de pers

geselecteerd

De wijze waarop zij mijn lichaam kusten
was een manier als een ander om niet te spreken,
maar jij, Jezus, jij hebt tot mij gesproken
en jij hebt niet alleen mijn lippen gezien —
het is vreemd dat mijn lip
die niemand heeft gekust
geurde naar bloemen.
Hoe heb jij me bemind, Heer,
hoe heb jij me bezeten met het woord!
Jouw woord deed me rillen
over heel mijn lichaam.
Geen gemaaktheid was er, geen ketenen:
jij wilde me niet aanraken.
Op dat ogenblik, Jezus,
was ik jouw jonge moeder,
gekroond door Gods blik.
Ik weet het, je zou me tegen je hart hebben gedrukt
en alle wonden
door die verkrachters toegebracht
zijn weer toegegaan.
Het was een lichaam tot het uiterste verwond,
toch bleven zij op deze wonden
het zout strooien van
hun minachting.
Hoe gloeiden mijn wonden, Heer.
Maar op een bepaald moment
heb ik de balsem van jouw blik gevoeld
en was ik een en al parfum en olie.
Heer, in jouw ogen
was ik zo ongerept
dat jij je eerste leerlinge
zag en koos.

Petrus, laat me niet in de steek,
jij zou nooit hebben gedacht
dat ik op een dag naar jou de handen uit zou strekken
als een kind.
Ik heb je manskracht nodig,
ik heb je omarming nodig.
Ik, jouw meester,
heb mijn leerling nodig,
omdat jij hebt geloofd.
Ik, die jouw Schepper ben,
ben een gewonde geest,
ben de man van de olijf van de vrede,
ben de man van het hosanna en van de wanhoop.
Petrus,
neem je meester in de armen,
hij staat op het punt ver te vallen,
zo ver
dat hij buiten het Heilig Land valt
en neervalt vol schavingen en wonden.
De stenen havenden zijn handen,
maar jij bent een steenrots:
jij zou mijn wonden kunnen helen,
ze hechten,
ze dichten,
met mij binnengaan in het Paradijs.