Onrustige jeugd

Bladerend in een dertig jaar oude Paustovskij-pocket ben ik een avond lang direct weer helemaal weg in de WOI-jaren van de jonge auteur.
En ik herken mijn uitroepteken van weleer:
‘In elk woord liggen een heleboel betekenissen en het is de zaak van de schrijver, jongeman, de woorden zodanig aaneen te rijgen dat ze in het hart van de lezer de juiste weerklank oproepen.’ (36)
En mijn vraagteken van toen:
‘Maar waarom bleef deze god, bedacht door de mensen om het spoor niet bijster te raken in de bloedige en vreselijke warwinkel van het bestaan, dan almaar talmen, almaar zwijgen, zonder in het verloop van hun leven in te grijpen?’ (89-90)
En ik stip nu met potlood deze Odessa-passage aan, op de oever van de Zwarte Zee:
‘Van de oever waaide een geur van violieren over. In de verte, aan de monding van de Dnjestr dreunde een kanonschot dat langs de oever rolde. Ook hier was het oorlog, op deze plaats die opzettelijk gemaakt leek voor een bedrijvig en gelukkig leven, gemaakt voor zeelui, tuinders, wijnboeren, kunstenaars, voor kinderen en verliefden, voor een zorgeloze jeugd, een vruchtbare rijping en een oude dag die op een heldere septemberdag leek.’ (114)