Lente in Kiev

Ik betrap me erop veel terug te grijpen naar de Russen op mijn boekenplank. Konstantin Paustovski was 26 toen hij najaar 1918 tot najaar 1919 in Kiev verbleef, om daarna naar Odessa te verhuizen. De sensitiviteit uit Verhaal van een leven, waarin je het leven ruikt en smaakt, voelt en hoort, is al te vinden in zijn vroegste aantekeningen. Tussen de oorlogsbladzijden in het begin van Goudzand wordt het in maart 1919 plots lente:

‘Op een nacht begon op de Dnjepr het ijs te kruien. Ik liep naar de hoge, steile, zanderige oever en stond daar een hele tijd te luisteren naar de melodiërende klank van de over elkaar schuivende, goorwitte schotsen en het eroverheen golvende water, terwijl ik de scherpe geur van klei inademde en naar het zwarte fluweel van de hemel keek, waaraan zo vlak voor de dageraad het witte licht van de kwistig uitgestrooide sterren langzaam begon weg te doven. Op de beemden klonken al vogelgeluiden en heel de in de duisternis nog onzichtbare verte was vervuld van het zachte geruis van troebel water, van een eigenaardig beven en trillen, van een geklater en het verre rumoer van de onstuimig stromende rivier.
Toen werd mijn ziel plotseling beroerd door een gevoel van vreugde, …’ (113)