Tu quoque…

In een recente blognotitie citeerde ik uit Thucydides en gisteren nog herinnerde ik aan een mij minder dierbaar vers van Horatius. Ook in opiniestukken zijn antieke citaten en beeldspraken duidelijk dankbaar materiaal in deze weken van gruwel, agressie en angst. Hendrik Vos in DS van 8 maart: ‘Europa zat te lang op Venus en moet opschuiven richting Mars.’ In dezelfde krant (maar ook in The Guardian en in La Repubblica) citeert de Britse auteur Ian McEwan Tacitus: Poetin lijkt ervan overtuigd dat hij van iets een woestijn kan maken en het vrede kan noemen. De Romeinse historicus legt die woorden in de mond van de Caledoniër (!) Calgacus. (Agricola 30.6) Nog in DS vergeleek Hubert Smeets een dag eerder Poetin met ‘Caligula, de waanzinnige Romeinse tiran.’ En vorige week botste ik in het Franse weekblad L’OBS van 3 maart op een uitspraak van de Schotse neurowetenschapper Ian Robertson: ‘Rien n’arrêtera Poutine, excepté un Brutus russe.’ En dan laat ik nog La Repubblica buiten beeld. Waarom grijpen we vooral in conflictueuze momenten naar de oudheid voor vergelijkend en beeldrijk materiaal? Misschien omdat ook toen het verschrikkelijke – maar ook het sublieme – gestalte kreeg in mensen, in woorden, in daden.


Vincenzo Camuccini, De dood van Caesar, 1805 (Galleria Nazionale d’Arte Moderna, Rome)