Een wrede Valentijn

Van de illustere onbekende poëet Modestinus (ca. 300 n.C.?) is een handvol verzen bewaard waarin tien heldinnen zich willen wreken op de slapende Cupido, oorzaak van hun liefdesverdriet en dood. Voor elk van hen verdient Cupido hun respectieve dood. Modestinus speelt met dit epigram in op o.m. de catalogus van heldinnen in Ovidius’ Remedia amoris. En in diezelfde vierde eeuw herleeft zijn vers bij Ausonius, die zich in Trier door dat thema liet inspireren voor zijn Cupido cruciatus – Cupido aan het kruis, dat wij vroeger al vertaalden.

Knaap Amor lag eens door de vleugels van de slaap
verslagen tussen mirtestruiken in het wit
bedauwde gras. Er kwamen schimmen rond hem staan,
zopas bevrijd uit Pluto’s ver en duister huis,
alle gepijnigd door de wrede vlam van Amor.
En Phaedra zei: “Mijn jager! Hem moeten we binden!”
“Zijn haardos moet er af!” schreeuwde de wrede Scylla.
Medea en de zwaar getroffen Procne riepen:
“We snijden hem in vele stukken.” Canace
en Dido: “Met het scherpe zwaard moet hij gedood!”
Maar Myrrha: “Met mijn takken!” en Evadne sprak:
“Met vuur!” – “Neen, wij verdrinken hem wel in een bron!”
zo wilde Byblis het en Arethusa. Amor
ontwaakte. Tot zijn eigen vleugels zei hij. “Vlieg!”

Forte iacebat Amor victus puer alite somno
myrti inter frutices pallentis roris in herba.
Hunc procul emissae tenebrosa Ditis ab aula
circueunt animae, saeva face quas cruciarat.
“Ecce meus venator!” ait “hunc” Phaedra “ligemus!”
Crudelis “crinem” clamabat Scylla “metamus!”
Colchis et orba Procne “numerosa caede secemus!”
Didon et Canace “saevo gladio perimamus!”
Myrrha “meis ramis,” Euhadneque “igne crememus!”
“Hunc” Arethusa inquit Byblisque “in fonte necemus!”
Ast Amor evigilans dixit: “Mea pinna, volemus!”

Artus Quellinus, Slapende Cupido (1641), © The Walters Art Gallery, Baltimore

Reblog op  #GrondslagenNet