Theatrocratie

Er staat een mooie bijdrage op Hic et Nunc van Valérie Vertenten, die een link legt tussen de geënsceneerde nieuwswaarde van Stromae’s L’enfer en het begrip theatrocratie, dat Plato bedacht voor elke onechte maar populaire vorm van optreden als muzikant, politicus, etc. Het theatraliseren van Stromae is daar een afgeleide van.
Maar hoe zegt Plato dat eigenlijk? Het doet altijd deugd terug naar de bron te gaan. In Wetten 700e-701a luidt het: ‘ὅθεν δὴ τὰ θέατρα ἐξ ἀφώνων φωνήεντ᾽ ἐγένοντο, ὡς ἐπαΐοντα ἐν μούσαις τό τε καλὸν καὶ μή, καὶ ἀντὶ ἀριστοκρατίας ἐν αὐτῇ θεατροκρατία τις πονηρὰ γέγονεν. … νῦν δὲ ἦρξε μὲν ἡμῖν ἐκ μουσικῆς ἡ πάντων εἰς πάντα σοφίας δόξα… – Vandaar dan ook dat het publiek, tot dan toe stilzwijgend, de stem is gaan verheffen alsof het verstand had van wat er inzake muziek schoon is of niet. Vandaar ook dat we in plaats van een muzikale aristocratie een minderwaardige theatrocratie hebben gekregen […] Van daaruit is bij ons op alle gebieden de mening ontstaan dat iedereen van alles verstand had…’ (vert. Xaveer de Win).
Sterk ingeburgerd is dat neologisme van Plato bij ons niet echt, het klinkt misschien ook niet erg sympathiek. Maar de aristocratische Plato heeft een punt. En hij scoort er nog steeds mee. Voor de politieke scène actualiseerde Georges Balandier Plato’s woord al in 1980 in Le pouvoir sur scènes.