Gedichtendag

Gedichtendag, en ik zoek een vers bij de Latijnse poetae minores. Mijn oog valt op drie sapfische strofen van Sulpicius Lupercus Servasius Junior. Een verder onbekende dichter uit de vierde eeuw, de periode van de mij meer vertrouwde Ausonius, Sulpicius Severus, Ambrosius en van het Pervigilium Veneris. Vertaalde dan nog niemand Servasius’ vers over vergankelijkheid? De eeuwige Paul Claes deed het al in 1993 voor de Latijnse bloemlezing Op de snaren van Apollo van Patrick De Rynck (357). Zo blijkt post factum. Desalniettemin hier mijn versie. Omdat Servatius niet steeds consequent is in zijn beelden, mag deze knar – en alle knarren met mij – hoopvol blijven.

De vetustate

Omne quod Natura parens creavit,
quamlibet firmum videas, labascit:
tempore ac longo fragile et caducum
solvitur usu.

amnis insueta solet ire valle,
mutat et rectos via certa cursus,
rupta cum cedit male pertinaci
ripa fluento.

decidens scabrum cavat unda tofum,
ferreus vomis tenuatur agris,
splendet attrito digitos honorans
anulus auro.

Sleet

Al wat de Natuur heeft voortgebracht
wankelt ooit, al lijkt het nog zo sterk.
Broos en zwak verslijt het op den duur,
tijd ontbindt het al.

Een rivier vindt dikwijls een nieuw dal,
rechte wegen wijzigen van baan,
als de vloed slechts zwakke weerstand kent,
wijkt en breekt de dijk.

Droppels hollen ruwe tufsteen uit,
ploegijzer wordt dunner op het veld,
en de gouden ring die vingers siert
blinkt, maar wel door sleet.