Historische alexandrijnen

D’r moet iemand wijzen op de onzin die in de jongste Standaard der Letteren werd uitgekraamd én weergegeven. Dus vooruit dan maar, met grote tegenzin, alleen al omdat het zo gênant is: “Van Thucydides kon ik heelder passages citeren – die alexandrijnen, die klinken zo goed als je het ritme kent.”

Ik neem de eerste woorden van Thucydides’ beroemd methodekapittel in De Peloponnesische Oorlog (I.22) erbij: ‘Καὶ ὅσα μὲν λόγωι εἶπον ἕκαστοι ἢ μέλλοντες πολεμήσειν ἢ ἐν αὐτῶι ἤδη ὄντες, χαλεπὸν τὴν ἀκρίβειαν αὐτὴν τῶν λεχθέντων διαμνημονεῦσαι ἦν ἐμοί τε ὧν αὐτὸς ἤκουσα καὶ τοῖς ἄλλοθέν ποθεν ἐμοὶ ἀπαγγέλλουσιν.’ Een volzin. Zuiver proza.
Maar d’r is meer: de alexandrijn heeft niets met Griekse literatuur te maken. Die versregel van zes jamben (twaalf lettergrepen) kent hoogstens – met veel goede wil gezegd – een héél verre voorloper in de jamben van de Griekse tragedie, zoals het eerste vers uit Sofokles’ Antigone: ὦ κοινὸν αὐτάδελφον Ἰσμήνης κάρα. Een héél verre voorloper, want de alexandrijn is genoemd naar een versvorm met twaalf lettergrepen in de 12de-eeuwse Roman d’Alexandre. Er ligt meer dan anderhalf millennium tussen Thucydides en die Franse Alexanderroman in verzen.

Tot zover de schoolmeester. Thucydides’ alexandrijnen ofte alternatieve literatuurgeschiedenis. Historisch. En hilarisch.