Molière 400

Rond verjaardagen van grote auteurs lees ik vaak iets uit hun werk. In deze dagen een nog ongelezen stuk van Molière, zijn tiende: L’École des femmes. Het veroorzaakte eind 1662 nogal wat deining en het betekende het echte begin van zijn carrière. Jean-Baptiste Poquelin werd op 15 januari 1622 in Parijs geboren, maar de genese van de schrijver Molière lag in kleine steden en op het platteland, waar hij met zijn toneelgezelschap rondtrok en mensen observeerde. Hij liet zich veel minder door de oudheid inspireren dan Racine en Corneille. Toch moet hij fragmenten van de Griek Menander hebben gekend, Le Misanthrope vertoont daar sporen van. Plautus’ Amphitruo en Aulularia gaven hem stof voor zijn Amphitryon en L’Avare, voor L’École des maris en Les Fourberies de Scapin waren Adelphoe en Phormio van Terentius zijn bronnen. Uit Apuleius’ Metamorfosen putte Molière dan weer voor zijn Psyché. Tiens, dus geen Aristofanes. Daar deed Jean Bertheroy (eigenlijk een vrouw, met name Berthe Le Barillier) in 1897 iets aan met een komisch stuk: Aristophane et Molière, à-propos en 1 acte en vers. Minder oudheid dus bij Poquelin, die vooral onder invloed van de commedia dell’ arte succes boekte in het theater. Én bij Louis XIV. Amper 51 was hij toen hij overleed na een opvoering van zijn laatste stuk, Le Malade imaginaire. Zó ingebeeld en gespeeld werden ziekte en dood voor hem plots niet. Maar ik lees rond 15 januari dus iets heel prettigs van hem in een oude uitgave, met een intro door Sainte-Beuve en met ‘vignettes par Tony Johannot’. Die editie geeft me het valse gevoel dichter bij de schrijver te komen. Ook dat is imaginair.