Guido Gezelle, Het winterspook

De deuren van het Oosten gaan,
nog nauwlijks, even open
en toe, gelijk, den laatsten keer,
des veegen wimpers doen,
die henengaat in ´t eeuwige. Ach,
´t is avond nog eer ´t noen
kan worden! Is geen dageraad,
geen dag ons meer te hopen?

Gij ook, voor eeuwig, gaat gij, oog
des hemels, nu verdwijnen?
Gaat ´t duister worden, altijd voort,
en donker, overal?
Gaan sterrelicht en manelicht,
in ´t levenlooze dal,
daar ´t koud en altijd winter is,
alleene nu nog schijnen?

Een graf nu, och, een wintergraf
is alles weêr bedegen;
gedolven in dat graf is mij
de jonkheid en de jeugd:
wie redt er, ach, wie helpt er, uit
den nood ons? Hoe de vreugd
van vroeger, die begraven ligt,
het graf weêr uitgekregen?

´k En zie bijna geen wegen meer:
de koude voert mij henen,
de velden uit, de steê weêr in;
nog donkerder is ´t daar:
de zware dompen varen mij,
als of het water waar’,
dat duisternisse en vuilnis voert,
onhoorbaar voor de schenen.

Ze ontsteken licht. Een damp, alom,
die, stinkende, onder de aarde
geboren is, nu dansen gaat,
en spotten met de zon,
die ´s Winters onmeêdoogendheid
niet langer baas en kon
en henenging; die, krachteloos,
voor goed misschien, ontaardde!

Afgrijslijkheid! Het winterspook
zit overal te wachten:
´k gevoel ´t, alwaar ik henenwille,
of zoeke zijn gegaap
te ontsnappen; ´t komt mij tegen, tot
in huis, en, daar ik slaap,
daar steelt het mij de ruste van
mijn’ slapelooze nachten!

Dat ´t Joel weêrom, dat ´t Kerstdag zij,
dat ´t ophoude, al dat zinken,
dat sterven, dat verloren gaan
des levens! – Herders, gaat
en peilt den diepen Oosten: ziet
gij dag noch dageraad,…
nog ´t nieuw geboren Zonnelicht,
te Bethlehem, niet blinken?

25.11.1896
uit: Rijmsnoer om en om het jaar (1897)
XII Wintermaand – R145