Flaubert 200

Rouen viert zondag de tweehonderdste verjaardag van Gustave Flaubert. Dat brengt me in gedachten naar de kathedraal, die niet alleen Monet inspireerde maar tot drie keer toe ook de Rouaanse auteur. Op het timpaan van het noorderportaal danst Salome, en in zijn Hérodias, een van de Trois contes (1877), schrijft Flaubert: “Sans fléchir ses genoux, en écartant les jambes, elle se courba si bien que son menton frôlait le plancher.” (Pléiade II.676). En hoog in de noordelijke kooromgang is er het glasraam met het verhaal van Julianus de Gastvrije, dat Flaubert inspireerde tot Légende de Saint Julien l’Hospitalier, het tweede van de drie kortverhalen. Ik vermoed dat hij twintig jaar eerder al dat glasraam voor ogen had, toen hij in Madame Bovary (1857) Léon in de kathedraal laat wachten op Emma die maar niet komt: “… et ses yeux rencontrèrent un vitrage bleu où l’on voit des bateliers qui portent des corbeilles. Il le regarda longtemps, attentivement, et il comptait les écailles des poissons…” (Pléiade I.510). Nog vóór Léon op een stoel was gaan zitten om het glasraam te bekijken, fantaseert hij lyrisch over de plek en over Emma: “L’église, comme un boudoir gigantesque, se disposait auteur d’elle; les voûtes s’inclinaient pour recueillir dans l’ombre la confession de son amour.” (Ibidem) Kort nadien stuiven ze met een fiacre met gesloten gordijnen in een stormachtige rit door stad en campagne… – Zondag lees ik nog eens het eerste kortverhaal uit 1877, Un coeur simple, over Félicité en de papegaai, die Julian Barnes inspireerde tot de titel van zijn essays over Flaubert.