Volcano

Het lijkt wel hét vulkaanjaar. Na de Etna en de Cumbre Vieja is men er nu ook op de Eolische eilanden niet gerust in. Vorig najaar braakte daar nog de Stromboli. In de buurt ligt de Volcano, die zijn naam gaf aan elke vuurberg en zelf zijn naam kreeg van de Romeinse vuurgod Vulcanus. Hij rookt momenteel meer dan anders en dreigt na 133 jaren slaap weer wakker te worden. Ooit liep ik op zijn flank, maar slaagde er niet in de god in de muil te kijken.
Vergilius kwam me ter hulp. Naar het voorbeeld van Homeros, in wiens Ilias Achilles nieuwe wapens krijgt van Hefaistos dankzij Thetis, laat de man van Mantova in de Aeneis ook Venus bij Volcanus nieuwe wapens bestellen voor Aeneas. De dichter laat me zelfs niet in, maar gewoonweg onder de vulkaan kijken:

Onder het hoge kustland van Sicilië
en Lipara, de woonplaats van de windgod,
heft zich uit zee een eiland op, een steilte
van rotsmassieven die bestendig roken.
Daaronder dreunen grotten en spelonken
als van de Etna: holten uitgevreten
door het almachtig vuur van de Cyclopen.
Men hoort van ver de felle hamerslagen
tekeergaan op het echorijke aambeeld;
de gloeiendwitte massa der metalen
gaat sissend onder in het koelbakwater;
het vuur hijgt in de hals van de fornuizen.
Dit zijn de smederijen van Vulcanus.
(vert. Anton van Wilderode, 1973)

insula Sicanium iuxta latus Aeoliamque
erigitur Liparen fumantibus ardua saxis,
quam subter specus et Cyclopum exesa caminis
antra Aetnaea tonant, validique incudibus ictus
auditi referunt gemitus, striduntque cavernis
stricturae Chalybum et fornacibus ignis anhelat,
Volcani domus…
(Aeneis VIII.416-422a)