Streuvels’ Waterhoek

Al jaren staat in mijn werkkamer in tegenlicht een plaasteren Streuvelskop van de hand van Hildebert Derre (1951). De buste kwam ooit uit een Dendermondse schoolkelder gekropen en kijkt sindsdien toe op wat ik doe. De haast mythische auteur uit mijn jeugdjaren wordt dezer dagen gefêteerd bij zijn 150ste verjaardag. Ik (her)lees hem. Gisteren in een late zomerzon vier hoofdstukken uit De teleurgang van de Waterhoek. Ruim een halve eeuw geleden reed ik tijdens mijn tochtjes door het land tussen Leie en Schelde meermaals met de fiets over de brug van Rugge, en gisteren herkenden mijn oog en oor weer de kleur en klank van woorden als knechtebrakke, neuzemaker, poepgaaien, astrabansie, weister, taarteklaai, schijtjonk, kloerie… Ik herlees het episch boek niet in de eerste druk (1927), die al te veel heeft afgezien, en ook niet in de dundruk van Volledig Werk 3 (1971-73). Wel in deel XII van Stijn Streuvels’ Volledige werken (1950-55), zonder lexicale annotaties. Donderdag wandel ik langs de Durme bij de ‘valse’ Mirabrug en lees ik vooraf de twee resterende hoofdstukken. Nu zinderen de bladzijden nog na waarin de jonge ingenieur Maurice Rondeau voor het eerst Mira ziet in Den Sleerin. – Een auteur fêteert men het best door hem te lezen.

De meest recente editie van de roman is hier te vinden.