Zomeren 2 – Colosseum

Met tien grote ogen staan de kleinkinderen in de kolossale kuip waar we met z’n allen lilliputters lijken. Gisteren nog liepen de twee jongens op de heuvel boven de Arno op elkaar af met zwaarden uit het eikenbos. Hier, niet ver van de Tiber, dromen Mats en Lanse van leeuwen en gladiatoren, zijn vraagallen. En ik, knar en nar, almaar vertellen over allerlei gevechten in de arena. Terwijl in mijn achterhoofd Seneca speelt, die een enthousiaste toeschouwer in het amfitheater aanspreekt: “Tu quid meruisti miser ut hoc spectes? – Jij, sukkel, waar heb jij het aan te danken dat je dit moet aanzien?” (Brieven aan Lucilius 7.5) Moet ik nu de spelbreker zijn, hun kinderfantasie bederven? Later, denk ik, later, maar liefst niet té laat.