Zomeren 1 – Dante lezen

Op de heuvel herlees ik de laatste drie zangen van Paradiso. In Dante’s Toscaans en in de prozavertaling van Van Dooren. De ouverture van de laatste canto is een lang gebed tot Maria, uitgesproken door Bernardus van Clairvaux die Dante te woord staat in de hoogste hemel, het empyreum. “Vergine Madre, figlia del tuo figlio, / umile e alta più che creatura, / termine fisso d’etterno consiglio… – O Moedermaagd, dochter van uw eigen Zoon, nederig en verheven méér dan welk schepsel ook, vastomlijnd doel van Gods eeuwig raadsbesluit…” Hoe ervaart de doorsneelezer – áls hij al La Divina Commedia tot het einde doorleest – zo’n gebed? Afstandelijk, zoals het gebed van Kalchas uit het begin van de Ilias? Of exotisch, zoals een gebed uit Duizend-en-een-nacht? Het jaar 1321 ligt ver achter ons en die zevenhonderd jaren dagen uit, vergen inleving. De klim is steil, de echte vreugde van het lezen diep. – Prent van Gustave Doré (1868).