Stadsuitbreiding

In de buurt van het mausoleum van Augustus werd recent een grenssteen teruggevonden die de uitbreiding van de stad Rome onder keizer Claudius in 49 n.C. aantoont. Zo’n uitbreiding van het pomerium, gewijd gebied door Romulus afgebakend en waar geen wapens werden gedragen en geen doden begraven, werd uitzonderlijk toegestaan aan wie het rijk had uitgebreid: ‘…iis qui protulere imperium etiam terminos urbis propagare datur,’ luidt het bij Tacitus (Annales 12.23). Claudius had Brittannië veroverd en wilde als Galliër uit Lyon ook het Romeinse burgerrecht uitbreiden tot de provincies, wat wel op protest van de senaat stuitte. Zijn uitbreiding van het pomerium had zowel een praktische als een symbolische bedoeling: meer burgers in de stad ontvangen en de Urbs omvormen tot wat vandaag een inclusieve samenleving zou heten. Een identieke grenssteen uit de Vaticaanse Musea toont aan dat er op de recent ontdekte grenssteen vijf regels ontbreken. Wat bewaard bleef is de kern van Claudius’ onderneming:

CENSOR [P P] censor en Vader des Vaderlands
[AU]CTIS POPVLI R[OMANI] heeft na de uitbreiding van de grenzen
FINIBVS POMERIVM van het Romeinse volk het pomerium
AMPLIAℲIT TERMINAℲITQVE vermeerderd en afgebakend.

De curieuze omgekeerde F in de laatste regel is een van de drie zogenaamde Claudiaanse letters, in dit geval de digamma die de V vervangt.

Reblog op #GrondslagenNet