Maigret tot Simenon

Gisteren heb ik in de trein zitten gniffelen. Rond een gewichtig probleem: wat is fictie en wat is werkelijkheid? Een van de aardigste literaire spelletjes rond die vragen is het tweede hoofdstuk van Les Mémoires de Maigret (1951). De memoires zijn fictie, want Maigret is Simenons personage, tegelijk zijn ze autobiografisch, want achter Maigret gaat een brok Simenon schuil. Rechercheur en auteur spelen een spel waarin werkelijkheid en fantasie over elkaar heen rollen en waarbij de lezer achter je en vous en mes en il en lui en me etc. steeds de juiste eigennaam voor ogen moet houden. ‘Et lui, avec une abondance de gestes et une pointe d’accent belge, de me démontrer que mes enquêtes, telles qu’il les avait racontées, étaient plus plausibles – peut-être bien a-t-il dit plus exactes? – que telles que je les avais vécues.’ (Tout Simenon 4, p. 784-785)