Joke van Leeuwen over Patrick Lateur

Lieve De Wachter, Peter Theunynck, Joke van Leeuwen en Lut Missinne

Op woensdag 16 juni 2021 werden Lut Missinne, Lieve De Wachter en Joke van Leeuwen officieel geïnstalleerd als nieuwe leden van de Koninklijke Academie voor Nederlandse Taal en Letteren. Van Leeuwen volgde Patrick Lateur op als lid en richtte dit huldeadres aan haar voorganger.

Graag wil ik hier Patrick Lateur bejubelen. Dat doe ik in de derde persoon, want in de tweede persoon klinkt het alsof ik van alles aan hem vertel wat hij zelf veel beter weet. Dat bejubelen is terecht, want onder zijn helmboswuivende haren heeft hij met zijn eruditie en fijnzinnigheid grote dingen verricht.

‘Muze, bezing mij de man die de eeuwen omspant door het werk van zijn hand en zijn hoofd…’ Nee, in hexameters ga ik niet verder. Patrick Lateur koos er zelf voor de Ilias en de Odyssee in jamben te vertalen. Geen in het Nederlands te stroeve gezochtheid, maar het vloeiende dat past bij teksten die oorspronkelijk een grote orale functie hadden. Zelf zei hij daarover: ‘De keuze voor jamben wordt ingegeven door de overweging dat het jambische ritme het dichtst bij onze gesproken taal ligt.’ Dat orale kwam helemaal tot zijn recht toen vele acteurs en anderen zijn vertalingen integraal voor het voetlicht brachten, in samenwerking met verschillende theaters en literaire organisaties, en ze zelfs ópsommingen bezwerend wisten te maken, zoals in de tweede zang van de Ilias, waar het gaat over hónderd Kretenzische steden, táchtig zwarte schepen, négen schepen uit Rhodos, dat drie steden had. Ze deden het dus niet zoals wijlen mijn moeder bij leven deed, toen ze Openbaringen 7 voorlas en dacht ook allerlei verschillende getallen tegen te komen: ‘Uit de stam Juda twáálfduizend, uit de stam Ruben twáálfduizend, uit de stam Gad twáálfduizend …’ Lang voor ze bij de stam Benjamin was, schoot ze in een half beschaamde, half vrolijke lach. En wij, alle leden van ons gezin, die elke avond na het eten uit de Bijbel werden voorgelezen, lachten minstens even hard mee.

Zo begint de Odyssee in Lateurs vertaling:

‘De man van vele listen moet u, Muze,
voor mij bezingen. Hij zwierf zeer veel rond
nadat hij Trojes goddelijke burcht
verwoest had, zag hij de steden van veel mensen
en leerde zo hun geest en volksaard kennen.’

Zelf zag Patrick Lateur de resten van Troje toen hij er aan de vooravond van zo’n grote voorleesmarathon samen met Michael De Cock en fotograaf Nick Hannes rondliep en er ongetwijfeld meer zag dan wie er zonder zoveel bagage over die oude tijden aanwezig was. ‘We lopen hier tussen de afbraak, maar wat voor een afbraak,’ zei hij, en: ‘Het gesprek met de oudheid eindigt niet.’

Hij debuteerde als dichter met Catacomben, een bundel waarin hij, net als in Ravenna, uitgaat van het bezoek aan antieke Italiaanse plekken, maar het is meer dan een reisverslag, omdat deze gedichten in gesprek gaan met oude verhalen. Zo voerde en voert hij voortdurend gesprekken, in vertalingen, reflecties en poëzie. In een van zijn dichtbundels, Zeven vrouwen, richt hij zijn aandacht op Bijbelse vrouwen, onder wie Ruth, die, zoals ik het in mijn jeugd hoorde ‘aren las’. Wat destijds na de oogst op de akkers achterbleef, was bestemd voor de armen en de vreemdelingen. Een soort voedselbank avant la lettre, met zelfbediening.

‘Zij mocht het koren zamelen voor het brood
dat zij in vriendschap deelde met Noömi.
Een vreemdelinge slechts die in haar schoot
de voorzaat droeg van David, Juda’s koning.

Hier samen onderweg dit kleine wonder
van louter toebehoren aan elkaar,
door garve en kind getekend en verbonden
in milde blikken en een zacht gebaar.’

Patrick Lateur, die zoveel vertaalde, dichtte en bracht, heeft in zijn jeugd van een leraar moeten horen: ‘Meneer Lateur gaat nergens komen.’ Volwassenen die dergelijke dingen zeggen, beseffen vaak niet wat voor impact zoiets heeft op een nog onmachtig kind. En misschien hebben zijn ouders niet beseft hoezeer ze hun zoon juist stimuleerden door hem twee jeugdboeken cadeau te doen, De strijd om Troje en De zwerftochten van Odysseus. Op zijn beurt zal Patrick Lateur positieve impact hebben gehad op de vele leerlingen die hij voor zich in de banken zag zitten, de meer dan dertig jaren dat hij Grieks en Latijn gaf aan het Sint-Vincentiusinstituut in Gijzegem. In de bundel Carmina Miscellanea reflecteert hij op wat hij daar met die jonge mensen aan het doen is, als ze in gesprek gaan met de oudheid:

Plato’s grot
‘[…]
En Griekse woorden worden tekst. De last
van delven en geduldig graven lost

hun banden van verblinding. Dalen mogen
wij in een vreemde grot van schijn en waan.
Het spiegelbeeld van schimmen opent ogen
die hulpeloos vragend op het daglicht staan.’

De last van delven zal op de inspanningen van de leerlingen slaan. Lateur zal zelf wel veel vreugde vinden in dat delven, in dat zoeken in grotten en catacomben, in dat naar het daglicht brengen van zijn vertaal- en hertaalschatten, voor wie daar beneden vooral donkerte ziet. In de laatste Poëziekrant (mei-juni 2021) eindigt hij zijn antwoorden op gestelde interviewvragen telkens met een quote over vertalen. Dat levert een fraaie rij op: ‘Vertalen is graven naar zin en zang. – Vertalen is vechten met de vorm. – Vertalen is verliezen. – Vertalen is ontrukken aan de vergetelheid. – Vertalen is geduld hebben. – Vertalen is doorgeven.’

Lateur heeft de gave van de bewondering. Zo zei hij over Cornelis Verhoeven, de filosoof die onder meer over verwondering schreef: ‘De man heeft me ingeleid in de verwondering, en ik blijf hem bewonderen.’ In De speelman van Assisi liet Lateur zich inspireren door Franciscus, om zichzelf in deze man van vroeger te spiegelen en te verruimen. En hij bracht de poëzie van dichters die wel in Vlaanderen maar nauwelijks in Nederland bekend zijn: Anton van Wilderode en Hubert van Herreweghen.

Hij vertaalde honderden epigrammen uit de Anthologia Graeca, die in het Nederlands hun gebalde zeggingskracht bewaren, erotische verzen in Eros bij de Vesuvius (dat klinkt alsof er erotisch veel uitbarst, maar in het vers Older and wiser lijkt de vulkaan zich koest te moeten gaan houden), fabels van Da Vinci, brieven van Michelangelo en nog zoveel meer, tot en met de Egloghe van Dante, waarover de KANTL onlangs een Literair Salon organiseerde. Hij stelde bloemlezingen samen, zoals Amor in Roma, met liefdesavonturen van Catullus tot Claus, en Muze, zeg me…, met Griekse literatuur. Op vele manieren heeft hij zo het verleden dichtbij gebracht en ons letterlijk in de schoot geworpen. Ook droeg hij bij aan allerlei tijdschriften, waaronder de Poëziekrant en De Tweede Ronde. Hij is lid van het Guido Gezellegenootschap, was van 1995 tot 2004 hoofdredacteur van het Kunsttijdschrift Vlaanderen, werd in 2004 lid van deze Koninklijke Academie, als opvolger van Hubert van Herreweghen, en is nu erelid geworden. Ere wie ere toekomt. Hij is al ereburger van zijn geboorteplaats Beveren-Leie en daar Cum Laude opgenomen in een Orde. Van het hele rijtje prijzen dat hem ten deel viel noem ik in het bijzonder de Prijs van de Vlaamse Gemeenschap voor Letteren in 2013 voor zijn Ilias-vertaling, en de Homerusprijs van het Nederlands Klassiek Verbond in 2017 voor zijn vertaling van de Odyssee.

Kortom het is een eer dat ik u mag opvolgen, terwijl mijn eigen kennis van de klassieke talen niet verder reikt dan één jaar Grieks en een middelbare-schooltijd Latijn. En ja, ook een vader, inmiddels zesendertig jaar niet meer onder de levenden, die tussen de soep en de patatten zinnen kon laten ontsnappen als ‘Quod licet Iovi, non licet bovi’ en soms opeens de eerste regels van de Odyssee in het Grieks voor zich uit mompelde. Zonder ze te vertalen.

Foto: de drie nieuwe leden van de KANTL: Lieve De Wachter (KU Leuven), Joke van Leeuwen en Lut Missinne (Westfälische Wilhelms-Universität Münster) met vaste secretaris Peter Theunynck © KANTL