Maître Corbeau, sur un arbre perché…

‘La Fontaine est notre Homère’ beweerden Taine en Sainte-Beuve. Want zijn fabels zijn hun epos en de kleine Fransen leren de dichter uit het hoofd. In Château-Thierry staat niet ver van de Marne het statige huis waar hij op 8 juli 1621 werd geboren. Ik kocht er ooit zijn minder bekende Contes interdits, een verzameling berijmde amoureuze verhalen die hem in 1684 bijna zijn verkiezing in de Académie Française kostten. Hij verwerkte daarin o.m. ook Petronius’ verhaal van de weduwe van Efese. Aisopos was dé bron voor zijn Fables, maar de Appendice in de Pléiade neemt ook stukken op die geïnspireerd zijn op Theokritos en Ovidius (Philémon et Baucis). Er loopt een grote lijn van Aesopus en Phaedrus over Da Vinci en Alberti naar La Fontaine, honderden fabels al dan niet met een expliciete moraal. Op een vreemde manier grijpt een mens daar altijd graag naar terug, alsof de wereld van dieren en planten, mensen en objecten hem een spiegel voorhoudt. Zoals Jean de La Fontaine het zelf uitdrukt in de ouverture van VI.1.1-6:
Les fables ne sont pas ce qu’elles semblent être.
Le plus simple animal nous y tient lieu de maître.
Une morale nue apporte de l’ennui;
Le conte fait passer le précepte avec lui.
En ces sortes de feinte il faut instruire et plaire,
Et conter pour conter me semble peu d’affaire.

Waarbij de dichter in het voorlaatste vers knipoogt naar Horatius, wiens dulce et utile spreekt van vermaken én vermanen (Ars Poetica 343-344).
400 jaar, en de Fransman van de Marne blijft een Maître.