Antieke stenografie

In Harelbeke ging vorige week boekenman Jan Van Herreweghe met pensioen en voor het Liber amicorum bezorgde ik een vertaling uit het dagboek van de dichter Ausonius (4de eeuw) die werkzaam was aan het keizerlijk hof in Trier. Eerder vertaalde ik al werk van hem. In De notario in scribendis velocissimo (Ephemeris VII) heeft hij het over zijn bijzonder bedreven en gedreven stenograaf. Stenografie (στενός – γραφή: smalschrift) was in de oudheid bekend, de beroemdste stenograaf is Cicero’s secretaris Tiro. Maar Ausonius had blijkbaar ook niet te klagen over zijn secretaris.

Een supersnelle snelschrijver

Kom vliegensvlug bij mij, mijn slaaf,
bedreven hulp voor snel noteerwerk,
en leg je schrijftablet maar open
waarin een grote massa woorden
elk met zijn teken uitgedrukt,
als ging het om één zin, zijn plaats vindt.
Ik lees bijzonder rijke boeken,
net als een dichte hagelbui
lawaai ik met verzengde lippen.
Je oren raken niet verward,
nog steeds is er één kant niet vol.
Je hand beweegt ternauwernood
en vliegt over het wassen vlak.
En spreek ik uitgerekend nu
met veel omhaal en aarzelend,
jij legt reeds vast in was al wat
mijn geest bedacht en amper uitsprak.
Ik wou dat mijn verstand me had
gegeven even snel te denken
als jij vooruitloopt op mijn woorden,
je rechterhand in vlugge vlucht.
Ik vraag: wie, wié heeft mij verraden?
Wie heeft er jou reeds voorgezegd
wat ik alleen maar dacht te zeggen?
Wat steelt je snelle rechterhand
wel in het diepst van mijn gedachten?
Wat is die nieuwe stand van zaken
dat tot jouw oren door mag dringen
wat mijn tong nog niet heeft gezegd?
Geen onderricht bracht jou dat bij,
geen enkele hand was ooit zo vlug
in steno-met-de-snelle-voeten:
geschenk is dat van de natuur,
en God verleende jou de gunst
vooraf te weten wat ik zeg
en ook te willen wat ik wil.