Latijnse Baudelaire

Vandaag in Brussel voor Alechinsky. Maar ook voor een kleine wandeling in de sporen van Baudelaire, die uitgerekend vandaag tweehonderd jaar geleden werd geboren. Na zijn vlucht uit Parijs logeerde hij van april 1864 tot juli 1866 in Hôtel du Grand Miroir in de Bergstraat.

In Modèles Français las ik in het college van Waregem uit Les Fleurs du Mal een paar gedichten: L’Albatros, Harmonies du Soir, Spleen en (natuurlijk) Recueillement. Onze priester-leraar ging met zijn vijf vakken in de Poësis avant la lettre vakoverschrijdend te werk. Of de bundel van Baudelaire ook in zijn bibliotheek stond, weet ik niet. Anders liet hij ons in de les Latijn misschien wel proeven van Franciscae meae laudes. Alhoewel, het vers ‘pour une modiste érudite et dévote’ bevat tal van reminiscenties aan liturgische sequenties. Zo klinkt o.m. de vierde strofe van het Veni Sancte Spiritus bij Baudelaire na in de achtste strofe: In fame mea taberna, / In nocte mea lucerna, / Recte me semper guberna. In de jaren zestig werd die intertekstualiteit nog doodgezwegen, vandaag wordt ze – denk ik – niet meer herkend.

Als ik op de Grote Markt het Broodhuis passeer, zal ik even denken aan die brave kostschoolmeisjes uit Koekelberg die op de eerste rij met rode kaken naar een lezing van Baudelaire zaten te luisteren, tot de juffrouw hen verontwaardigd snel naar buiten loodste.