Comoedia Coelestis

Een indringend stuk in Tertio over de Dode Christus in het graf van Hans Holbein gaf dit jaar mijn paasmorgen kleur. Maar zoals elk jaar grasduinde ik ook gisteren weer in het gelijknamige boekje van Frits van der Meer (P.C. Hooftprijs 1964). Als een kleine Dante schreef hij deze Comoedia Coelestis op een moment dat het vanuit een oude theologie nog kon (1959) en omdat hij Van der Meer was, zoals er na hem geen tweede meer zou komen. De feesticoon Anástasis deed Van der Meer in zijn Paasmorgen fantaseren. En van de opstanding waren ook de oude Grieken getuige, o.m. Homeros:
Voorzichtig, met één vinger, raakte Hij de blinde ogen van Homerus aan en zei, in het Grieks: ‘word ziende’ – en aanstonds verspreidde zich een glimlach over het doorgroefde gelaat, en was er tussen den Heer en den zanger, ik durf het nauwelijks zeggen, als een blik van verstandhouding.’ (34).
Tempora mutantur, nos et mutamur in illis. Maar aan sommige pennen blijf ik haken.

Sabine Alexander, Tussen kruis en opstanding in Tertio nr. 1103, 31 maart 2021, blz. 14-15.
F. van der Meer, Paasmorgen, Het Spectrum, Utrecht-Antwerpen, 1959.
Anástasis, detail wandmozaïek ca. 1100 (Hosios Loukas, Dafni)