Pervigilium Veneris – 25

25 jaar geleden zat ik bij Studio Brussel voor een gesprek met Ruth Joos over het Pervigilium Veneris, mijn eerste vertaling in boekvorm, terwijl ik toen al nel mezzo del cammin di nostra vita was. De toen nog jonge Leuvense uitgeverij P had die ‘late roos in het herfstlandschap van de Latijnse poëzie’ erg mooi uitgegeven en het was in de feestzaal van het stadhuis van Aalst gepresenteerd door Patrick De Rynck. In een recensie schreef Hans Warren: ‘Ongetwijfeld zal over vijftig, twintig of vijf jaar wel een nieuwe Nederlandse vertaler van dit lentelied opstaan. Maar voorlopig brengt deze versie de hedendaagse lezer het dichtst bij het Pervigilium Veneris.’ D’r is nog niemand opgestaan, maar dit lied met een bezwerend refrein vraagt er toch wel om. Zelf heb ik in illo tempore een papiermand gevuld met pogingen om dat refrein te onttrekken aan de “immer-nimmer-minne”-vertalingen vanaf Bilderdijk tot nu. En ik kwam uit bij een brede vertaling, wel met chiasme, antithese en parallellisme:

Cras amet qui numquam amavit,
quique amavit cras amet.

Morgen moet de liefde komen
bij wie nooit heeft liefgehad,
bij wie ooit heeft liefgehad
moet de liefde morgen komen.

Ondanks mijn jarenlange omgang met en mijn vertaalwerk van Homeros, Pindaros et alii, blijft deze eersteling mijn lieveling. First love never dies. Het PV verscheen in 1996 rond Valentijn. Misschien heeft P er nog wel ergens eentje uit de derde druk liggen. Voor iemands lief.

Reblog op #GrondslagenNet.