Snoepen en verslinden

Ik zat net in de tweede kleuterklas toen de 25-jarige Cornelis Verhoeven (1928-2001) op 30 september 1953 Snoepen voor de honger neerpende. Het stukje bleef in zijn archief bewaard en is nu opgenomen in de eergisteren verschenen verzamelbundel Alledaagse mijmeringen. Met Rondom de leegte en Inleiding tot de verwondering heeft Verhoeven me meer filosofie bijgebracht dan welke cursus ook. En later heeft de classicus me voedsel gegeven voor mijn lessen met o.m. De schaduw van één haar, Mensen in een grot en Voorbij het begin. Ook zijn vertalingen van o.m. Heraclitus, Cicero en Seneca stoffeerden mijn schoolwerk.
Als kleuter kon ik nog niet lezen, en stel nu dat men me toen voorlas: ‘Zo gejaagd als de verslinder te werk gaat, zo langzaam werkt de deskundige snoeper: hij houdt de smaak zo lang mogelijk vast, het doorhalen is maar bijzaak, voor de verslinder hoofdzaak.’ (27) Ik zou het niet hebben begrepen, en bovendien: snoepen wás voor mij verslinden.
De bij Damon gebundelde stukjes vormen een prelude op het indrukwekkend oeuvre van Verhoeven. De man heeft me ingeleid in de verwondering, en ik blijf hem bewonderen. Hij doet me denken aan Michel de Montaigne door zijn kringelend aftasten van de werkelijkheid, zijn vertrouwdheid met de oudheid, zijn zoeken naar een precieze verwoording en zijn badinerende stijl. Van deze jonge Verhoeven zal ik snoepen. Én hem verslinden.

Foto Verhoeven © Trouw