Gemeenschapspoëzie

Amanda Gorman heeft met haar performance op het Capitool veel harten geraakt in een gedreven spel van woord en gebaar, in een retorisch en hymnisch betoog dat een schitterend voorbeeld was van gelegenheidspoëzie voor een grote gemeenschap. Maar als een van de Dichters des Vaderlands in de Lage Landen zoiets zou brengen, zou de perceptie totaal anders zijn. Het verwonderde me daarom dat Gorman nogal wat krediet kreeg van poëziecritici voor The Hill We Climb. Gorman wàs indrukwekkend in die gelegenheidspoëzie, maar de gelegenheid om grote gemeenschapspoëzie te brengen die een tweede en een derde lezing verdraagt – bijvoorbeeld in de degelijke vertaling door Katelijne De Vuyst in De Standaard – nam zij niet. Toen ik haar live zag, moest ik denken aan de Griekse hymnendichter Pindaros die in de vijfde eeuw v.C. een koor een gelegenheidshymne liet zingen bij de huldiging van een atleet in een van de grote spelen in Hellas. Taal en stijl van de oudere dichter zijn veel minder doorzichtig dan die van de jonge dichteres. Gorman zetelt nog niet op de Parnassos, maar haar wacht een hoge heuvel, denk ik. En ik vergeet de slotverzen van haar hymne niet: For there is always light, / if only we’re brave enough to see it. / If only we’re brave enough to be it.