IJsvogel

Grauw en grijs over de kronkeldijk van de Nete. Het lage water bruinig, grond vloeit mee naar Rupel en Schelde. In de lage beemden grijzig groen tussen spiegels van water, met meeuwen en ganzen bij honderden. En een eenzame reiger. En plots, buitendijks boven een beek tussen riet, treft vliegend blauw het oog. Een ijsvogel, zegt mijn stapgenoot. Zag ik nooit. Ken ik enkel uit de boeken. En dan nog, een met verzen van Alkman, dichter in het aloude Sparta. Zo vertaalt Paul Claes fragment 26 over de oude dag en een mediterrane ijsvogel:

οὔ μ’ ἔτι, παρθενικαὶ μελιγάρυες ἱαρόφωνοι,
γυῖα φέρην δύναται· βάλε δὴ βάλε κηρύλος εἴην,
ὅς τ’ ἐπὶ κύματος ἄνθος ἅμ’ ἀλκυόνεσσι ποτήται
νηδεὲς ἦτορ ἔχων, ἁλιπόρφυρος ἱαρὸς ὄρνις.

De oude koorleider
Mijn benen dragen mij niet langer,
meisjes met je zoetlokkende lied.
Ach, ach, was ik maar een ijsvogel,
ik wiekte samen met de wijfjes
onverschrokken over de schuimkoppen
als die vinnige zeeblauwe vogel.

De gouden lier. Archaïsche Griekse lyriek (Athenaeum, 2005, p. 89)