Eulalie wie?

Eulalia van Merida. Geef toe, zo’n klankrijke maar niet klinkende naam op De Druivelaar roept vragen op. De Spaanse van dertien zou de jongste martelares op de heiligenkalender zijn. Onder de keizers Diocletianus en Maximianus protesteerde zij in 304 tegen de christenvervolging. Zij werd verbrand. Haar verhaal was onbekend gebleven als de Spaanse dichter Prudentius (vierde eeuw) niet een van zijn hymnen uit het Peristephanon aan haar had gewijd. De puber laat hij over de Romeinse keizer en de goden straffe taal spreken – nomen est omen, want het Griekse eu lalein betekent goed spreken:

Isis, Apollo, Venus nihil est,
Maximianus et ipse nihil:
illa nihil, quia factu manu,
hic, manuum quia facta colit,
frivola utraque et utraque nihil.
(Peristephanon III.76-80)

Isis, Apollo, Venus: waardeloos.
Maximianus zelf ook waardeloos.
Die goden zijn het werk van mensenhanden
en hij aanbidt wat mensenhanden maakten.
Dus allen onbeduidend, waardeloos.

Prudentius is de bron voor alle latere geschriften over Eulalia. Een dichter is wel geen historicus. Een van die latere geschriften is de Sequens van de heilige Eulalia, die beschouwd wordt als het oudste Franse lied (ca. 880). Met brontekst en vertaling daarvan opent Paul Claes zijn bloemlezing De tuin van de Franse poëzie. Een canon in honderd gedichten, Amsterdam, Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2011, p. 17-20.

Foto: de eerste verzen van de hymne voor Eulalia van Merida (The Loeb Classical Library, Prudentius II). Emerita[m] in v.3 is de Latijnse naam van het latere Merida.

Uit het werk van Prudentius vertaalde ik zijn Praefatio en twee hymnen uit zijn Liber Cathemerinon.