Tournai-la-Morte

Door Doornik lopen. Het regent. Over de durende bouwwerf van de kathedraal nogmaals turen naar Prudentius’ Psychomachia op het noorderportaal. De romaanse crypte van de Sint-Brixius is vol gestouwd met meubilair en achter de ramen in een van de romaanse huizen in de buurt vermoed ik rommel. Het regent. Ik loop moederziel alleen onder romaans boogwerk in de kerken van Jacobus en Quintinus. In de Rue des Augustins is het onthaal in het Rijksarchief zonder animo, de beperkte expositie over Georges Rodenbach amateuristisch. Treinwaarts. Vanop een Scheldebrug zie ik de iconische Pont des Trous. Neergehaald. Eén gat. Op de perrons groeit het onkruid hoog. De stad van Clovis, de aloude bisschopsstad lijkt een beetje dood.

Maar toch dit uit de tentoonstelling. Het manuscript van de eerste verzen uit de cyclus Les Lampes in Rodenbachs bundel Le Miroir du ciel natal: poème (1898):

La lampe enfin est allumée
Sous l’abat-jour de tulle;
C’est comme une renoncule
Qui est née;
C’est quelque étrange fleur
Aux changeantes couleurs
Dans la chambre qui en est tout enluminée.

In de uitgave – stel ik vast – schrapt de dichter comme in de derde regel.