Burgerlijke ongehoorzaamheid

Ik weet niet meer in welk boek mijn aandacht een tijdje geleden nog maar eens werd getrokken op Discours de la servitude volontaire van Étienne de La Béotie (1530-1563). Ik bestelde het bij Tropismes. En haalde het werkje (3,35 euro…) op samen met een paar andere titels. Daarmee doorbrak ik de quarantaine obligatoire (weliswaar ook volontaire). Brussel ligt niet in mijn tuin. Maar boeken zijn essentieel.
‘Hij heeft het in zijn jonge jaren bij wijze van oefening geschreven, tegen tirannen, als hulde aan de vrijheid’, schrijft zijn grote vriend Montaigne (Essais I.28 – vert. Hans van Pinxteren). Amper veertig kleine pagina’s politieke filosofie die zich probleemloos laten lezen, want beeldrijk en eenvoudig. De grondstelling komt er al snel: “Ce sont donc les peuples eux-mêmes qui se laissent, ou plutôt qui se font malmener, puisqu’ils en seraient quittes en cessant de servir. C’est le peuple qui s’asservit et qui se coupe la gorge; qui, pouvant choisir d’être soumis ou d’être libre, repousse la liberté et prend le joug; qui consent à son mal, ou plutôt qui le recherche…” (Éditions Mille et une nuits, 1995, p. 12). Een begrip als burgerlijke ongehoorzaamheid vind je niet in het Discours van La Boétie, maar eigenlijk komt heel het vertoog daarop neer. En al lezend denk je voortdurend aan leiders met tirannieke trekjes die het volk vandaag verkoos.

DLBnaamloos (2)

De homerische verwijzing waarmee La Boétie verrassend opent, slaat op Odysseus’ woorden tot Thersites in Ilias 2.203-206. In mijn vertaling:
“Achaiërs kunnen toch niet allemaal
hier koning spelen! Veelhoofdig gezag
deugt niet. Eén moet er zijn die hier beveelt,
één vorst, aan wie de zoon van sluwe Kronos
toeliet de scepter en de wet te dragen
om zo als vorst te heersen over allen.” (Athenaeum, 2010)