Pest in Montrieux – 10 (slot)

Petrarca’s broer Gherardo trad na de dood van zijn grote liefde ‘la Bella Donna’ rond 1342 in bij de kartuizers in de nog steeds bestaande chartreuse Notre-Dame de Montrieux in de Var. Zes jaar later woedde er de grote pest, maar Gherardo weigerde het klooster te verlaten. Als enige overlevende zou hij met de hulp van La Grande Chartreuse bij Grenoble het klooster nieuw leven inblazen. Over de heroïsche houding van zijn broer vernam Francesco Petrarca jaren later een en ander uit de mond van twee kartuizermonniken. Begin 1353 herinnert hij Gherardo daaraan in een brief:

“In enkele dagen heeft de dood toen vierendertig daar woonachtige monniken weggerukt; jij bent in je eentje in het klooster overgebleven. Ze vertelden bovendien dat jij geen enkele angst voor besmetting met de ziekte hebt getoond, dat je je medebroeders in hun laatste ogenblikken hebt bijgestaan, hun laatste woorden en kussen opving en hun verkilde lichamen waste. Dikwijls heb je, onvermoeibaar in je liefdedienst, op één dag drie of meer broeders eigenhandig begraven, en zelfs op je schouders naar het kerkhof gedragen, omdat er weldra niemand meer was die een graf kon delven of een laatste dienst aan de stervenden kon bewijzen. Uiteindelijk ben jij daar alleen overgebleven, met een hond. Je bracht hele nachten wakend door en gunde je maar een klein deel van de dag voor de noodzakelijke rust.”
(Epistolae Familiares XVI.2.5-7 – vert. Chris Tazelaar, Ambo, 1993, p. 217)

De ‘literaire pestreeks’ die ik eigenlijk ongepland begon op 19 maart, sluit hier af. In de blogposts zijn er stukken te lezen uit Thucydides, Lucretius, Ovidius, Eusebius, Petrarca, La Fontaine, Poe, Manzoni, Camus en De Pillecyn. Slechts zijdelings vermeldde ik het begin van Homeros’ Ilias en dat van Boccaccio’s Decamerone.
Het coronamormel blijft wel nog even voortrazen.