Pest in Londen – 9

In een bibliotheek waart meer pest rond dan men soms vermoedt. Deze week viel mijn oog hier op een paar werken van Edgar Allan Poe en bladerend in Verhalen bots ik op Koning Pest uit 1835, een luguber, burlesk en grotesk kortverhaal dat Poe situeert tijdens een pestepidemie in Londen. Twee zatte matrozen reppen zich midden in de nacht door een verlaten Londens district ‘aan somberheid, stilte, pestilentie en dood overgeleverd’:

“Waren ze niet inderdaad door hun roes van hun normale morele besef beroofd geweest, dan zouden hun waggelende voetstappen wel door de gruwelijkheid van hun situatie verlamd zijn. Er hing een koude mist. De straatstenen waren losgeraakt en lagen in wilde wanorde tussen het hoge, stugge gras dat om hun voeten en enkels opveerde. Vervallen huizen versperden de straten. De smerigste, vergiftigste luchtjes hadden in de hele buurt de overhand; en met behulp van het spookachtige licht dat zelfs om middernacht door een dampige, pestilente atmosfeer wel móét worden uitgestraald, hadden ze in zijsteegjes en sloppen, of rottend in raamloze woningen, het karkas van menige nachtelijke plunderaar kunnen zien liggen, die door de hand van de pest midden in het bedrijven van zijn roof was gestuit.” (vert. Manger, van Huizen en Polman, Contact, 2001, p. 150-151)

Ik sluit deze ‘literaire pestreeks’ eerstdaags af met een brieffragment van Petrarca.