Voetreis naar Mespelare

Tussen de twee historische schandpalen van Gijzegem en Mespelare – op deze Goede Vrijdag associeer ik ze met de zuil van de geseling, die niet eens voorkomt in de evangelies – slingert zich de stille Mespelwegel door de meersen langs de oude Denderarmen. Torenvalken, futen en meerkoeten houden zich hoorbaar gedeisd.

In Mespelare (en in het buurdorp Oudegem) was dichter Justus de Harduwijn drie decennia lang pastoor. Ik lees er op de kerkhofmuur de eerste strofe van zijn bewerking van Psalm 103 in zijn Goddelicke lof-sanghen uit 1620. Maar ik gniffel bij de gedachte dat de jonge priester zeven jaar eerder De weerliicke liefden tot Roose-mond publiceerde. Anoniem… Als excuus voor zijn liefderijke verzen gold de imitatie: Eensdeels naerghevolght de Griecksche/Latijnsche/ende Franchoysche Poëten. De tweede terzine van het vierde sonnet:
O cuskens, die my dwaes ydel troost-hope gheven!
O zoet-zuerighe spraeck, die nu smeeckt, en nu kijft!
Ghy doet my duystmael s’daeghs hersterven en herleven.

Anoniem uitgegeven, maar de auteur raakte toch al snel bekend. Groot was de commotie en pastoor Justus probeerde de oplage te vernietigen. Dat lukte hem op één exemplaar na, dat nu in de bibliotheek van UGent staat. Maar ook hier te lezen is: https://www.dbnl.org/tekst/hard001weer01_01/hard001weer01_01_0018.php

Ik kijk naar de schandpaal van de familie Goubau – of is het toch een heerlijksheidspaal van de heren van Gijzegem en Mespelare? – en bedenk dat de zuil van de geseling me bijbleef uit de werken van Piero della Francesca en Caravaggio.

P1100491