Luc Devoldere over Patrick Lateur

Luc Devoldere

Bij de 70e verjaardag van de auteur verscheen bij uitgeverij P een bundeling van 21 opstellen en notities onder de titel Vetera et Nova. Opstellen en notities. Het boek werd op 20 december in de bibliotheek Utopia in Aalst gepresenteerd door Luc Devoldere (Stichting Ons Erfdeel). Hieronder lees je zijn tekst.

Een philologos in alle betekenissen van het woord

De vertaler

Waar ontstaat een vertalersroeping? In het geval van Patrick Lateur, even ontsnapt aan een Romereis met laatstejaarsleerlingen van het Sint-Vincentiusinsituut uit Gijzegem in de late jaren 1980, in de Via Torino in Rome, ‘that high Capital where Kingly Death keeps his pale court in Beauty and Decay’ (Shelley, Adonais). In een Engelse boekhandel botst hij op de Pinguinvertaling van Pindaros. De steile, verheven koorlyricus grijpt hem bij zijn nekvel en laat hem niet meer los tijdens de avond- en busuren. Zo iemand moest vertaald, bleek plots zonneklaar. Bij het Pervigilium, een nachtwake voor het feest van Venus, was het het intrigerende refrein: Cras amet qui numquam amavit quique amavit cras amet, dat al het drukwerk van zijn huwelijksfeest had gevuld, dat na lang wikken en wegen  gemetamorfoseerd werd in ‘Morgen moet de liefde komen / bij wie nooit heeft liefgehad, / bij wie ooit heeft liefgehad / moet de liefde morgen komen’. Bij de Mosella van Ausonius, een lang gedicht over de Moezel, was het de vertrouwdheid met Trier, Neumagen en de rustige vastheid van de rivier die hem tot vertalen bracht. Deze man koos geen teksten. De teksten kozen hem. Lateur is geen beroepsvertaler, noemt zich wel een maximaal vertaler: iemand die probeert te vertalen wat er staat, wat de auteur met die woorden heeft gezegd.

Neem nu die aartsmoeilijke, vreemde Pindaros. ‘Als iemand Pindaros woord voor woord zou vertalen, dan zou men denken dat de ene gek de andere heeft vertaald’, zei ene Cowley al in 1656. Pindaros heeft Lateur in een zoete wurggreep gehouden, zijn papiermand tot het meest gebruikte stuk meubilair in zijn studeerkamer gepromoveerd. Vertalen is een vorm van moeite, bekent hij in dit boek, moeizaamheid, het leidt tot vermoeidheid, zelf moedeloosheid, maar het is ook een bron van vreugde. Vertalen is lezen, luisteren en loslaten. Het lezen van vertalingen die niet bevredigen, van vertalingen in andere talen, die men gebruikt om zich te laten inspireren of om cruces op te lossen. Het luisteren als een intenser lezen van ritme, toonaard, klankkleur, woordkeuze enz. Vertalers zijn de beste lezers. Ze kruipen in de kelders van de tekst, langdurig, consistent, hardnekkig. Ze bestuderen de plooien en rimpels. Latijnse en Griekse auteurs zijn de enige die men langzaam en precies moet lezen en ontleden, wist Nietzsche al. En dan moet de vertaler ook de brontekst kunnen loslaten, “zelf losbreken”, schrijft Lateur, luisteren naar de eigen stem. De vertaler moet uiteindelijk beter zijn in zijn eigen taal dan in de brontaal. De vertaler moet dus ook een schrijver zijn.

Na Pindaros kwam Homeros op je pad. Gelukkig wist je niet, schrijf je, dat Victor Hugo een vertaler van de Ilias had bezworen zijn vertaling te verbranden. Homeros in Franse verzen? ‘C’est monstrueux et insoutenable, monsieur.’ Zelf heb je je laten leiden door een omschrijving van Homeros door Matthew Arnold: ‘Homer is eminently rapid, eminently plain and direct, eminently noble.’ Je toont overtuigend aan dat niets onvertaalbaar is, als men maar het juiste register kiest, en in het geval van Homeros die vermaledijde hexameter opgeeft. Je keuze voor rijmloze vijfvoetige jamben werkt. Je trefzekere registerkeuze houdt die gewoonheid en verhevenheid, dat ‘nobele’, al die duizenden verzen aan. Mijn complimenten. Je hebt een standaard gezet voor de vertaling van de Ilias en de Odyssee voor een generatie. Vertalen is bijna hetzelfde zeggen, beweerde Umberto Eco. Je citeert hem instemmend. Het gaat om dat bijna. Equivalence sans identité: een soort gelijkwaardigheid zonder gelijkheid.

Het grote vlechtwerk

Lateur is een laatbloeier. Pas na zijn veertigste begon hij te publiceren. In 1991 verschenen zijn eerste verzen, Catacomben; in 1996 zijn eerste vertaling, Pervigilium Veneris. Zijn leraarschap was de humus, de incubatieperiode waaruit die indrukwekkende productie zou voortkomen. Als vertaler, dichter, bloemlezer, tekstediteur, essayist.

In alle betekenissen van het woord eren we vanavond dus een: philologos, een liefhebber, minnaar van woorden en verhalen. Eratosthenes van Cyrene, bibliothecaris van het Mouseion in Alexandrië in het midden van de derde eeuw voor Christus, zou de term hebben bedacht. Het woord laat me niet onverschillig sinds het mij ook ooit op een diploma is toegemeten: we mochten ons filoloog noemen en ons over teksten van anderen buigen op zoek naar wat er stond, kommaneuker zijn en tekstbehoeder, steriele grammaticus en bevlogen rapsode, rups en vlinder. In deze tijden waarin de filoloog het heeft afgelegd tegen de literatuurwetenschapper (een ‘filosofisch’ ontspoorde filoloog), de sociolinguïst en de adept van Cultural Studies, wil ik een lans breken voor de filoloog. Eratosthenes was de eerste: hij herstelde corrupte teksten en becommentarieerde ze met gezond verstand. Op de zoektocht naar het precieze traject van Odysseus’ omzwervingen reageerde hij laconiek dat je eerder de kleermaker zou moeten vinden die de zak der winden had genaaid. Homerus moest je als een verhaal lezen, vond hij, ervan genieten, liever dan er lering uit te willen trekken. Hij schreef filologische en grammaticale studies (over de accentus circonflexus), maar ook over de oude komedie. Naast scholia bij verzen van anderen schreef hij ook zelf gedichten in de ‘Alexandrijnse’ traditie: gemaniëreerd en erudiet, en liefst over gezochte en obscure mythen. Hij wist dat Homerus onnavolgbaar was en dat de poëzie dus nieuwe wegen moest kiezen: experimentele, geleerde en ironische.

Zo ver is Lateur nooit gegaan. Zijn poëzie is klassiek, vormvast. Hij staat in de traditie van Van Wilderode, die hij overigens voorbeeldig editeerde. Lateur is ook, zoals Eratosthenes, geen wiskundige die de omtrek van de aarde berekende door een stok te plaatsen in een waterput in Siëne, Assuan. Nee, Lateur is een philologos, in alle betekenissen van dat woord. Hij bekijkt de wereld als een weefsel, als een vlechtwerk van teksten. Hij herinnert er ons aan dat “tekst” van textum komt: weefsel. Als lezer, bloemlezer, vertaler en schrijver vlecht hij verder aan het grote netwerk van teksten dat al sinds eeuwen voor hem bestaat.

De bundeling

Deze essaybundel geeft een mooi en genuanceerd beeld van de beschouwende kant van Lateur in zeven rubrieken met telkens drie bijdragen die in de laatste twee decennia verschenen inallerlei  tijdschriften.

Oudheid omvat bijdragen over ‘de kleine Oresteia’ van Pindaros, de Argonautica van Valerius Flaccus, het verhaal over de expeditie met het eerste schip uit onze geschiedenis, de Argo, naar Colchis in Georgië, en de diefstal van het Gulden Vlies,  en over de veerman Charon die de zielen van de doden over de Styx of de Acheron naar de onderwereld brengt.

In Dagboeken staan Romeinse en Toscaanse aantekeningen. Lateur pelgrimeert tijdens de Goede Week door Rome: hij houdt zich ver van de Barok, houdt niet van de Contrareformatie en de Tridentijnse geur die in de kamers van Johannes Berchmans in het Collegio Romano hangt en gaat op zoek naar de oude, verstilde mozaïeken, zijn dierbare  catacomben, de vuile voeten van de pelgrim bij Caravaggio, het murmelende water van een bron diep onder de San Clemente. De Santa Costanza spant de kroon: ‘[…] volmaakte ruimte. Bol, boog en cirkel nemen al mijn hoekigheid weg’, klinkt het gevat. In Toscane keert hij altijd terug naar zijn heuvel bij Arezzo. Hij kent de streek als zijn broekzak, de middeleeuwse Ponte Buriano over de Arno, hij zoekt er naar een Etruskische prins, Maecenas, rechterhand van keizer Augustus, of de dichteres Sulpicia. Hij ontmoet er ook Montaigne, die in Italië van kuuroord naar kuuroord trok om zijn nierstenen te verzorgen, en ontdekte er de grote Leonardo wiens eigenzinnige proza hij vertaalde.

Brieven bevat open en vrijmoedige brieven aan Thomas Morus, gedrukt door onze Dirk Martens, priester Daens en kleinzoon Mats, bien étonnés de se trouver ensemble… Over Daens zegt Lateur dit: ‘Weet u, waarde Adolf Daens, u had misschien geen priester moeten worden. U keek veel verder dan u mocht van kerk en staat en precies dat priesterkleed heeft u genekt. De Woestelingen rekenden er u op af, de kerkelingen deden de rest. Zonder uw soutane waren uw ideeën misschien makkelijker te verdedigen.’ De kleinzoon werpt vooral de tijdsindeling van de grootvader overhoop: ‘En kijk, ik begin er almaar meer plezier in te vinden. Het heeft veel weg van dat mooie woord kairos, dat de oude Grieken bedachten voor tijd die dieper wordt beleefd en die de deur opent voor een andere waarneming van mensen en dingen.’

In de afdeling Vertalen heeft de vertaler Lateur het over de genese van zijn vertaalwerk en over het plezier van vertalen. Daar had ik het al over.

Drie opstellen behandelen canonauteurs: Guido Gezelle en Horatius, Buysse in Zuid-Italië en Streuvels en Ausonius’ Mosella. Het opstel over Gezelle toont aan dat een geniaal dichter een schrale denker kan zijn die opgesloten blijft in zijn mens- en wereldbeeld. Gezelle ziet in Horatius een ‘smerig dier’, maar bewondert de vormkracht van de dichter die hij in zijn eigen dichtwerk inpast en aanpast aan zijn christelijk, katholiek perspectief. Tussen hen heerst aantrekking en afstoting, toenadering en verwijdering. Het stuk over Buysse verrast. Cyriel vond, blijkens zijn dagboeknotities tijdens, nota bene, zijn huwelijksreis, het land ‘te vies, en het volk, die operettepaljassen, soms zeer onhebbelijk’. In al zijn reizen in Italië vond hij er, en ik citeer: ‘ruzie, ongedierte en slecht geld’. In een brief aan zijn oom heet het: ‘Catacombes désillusion complète. Idem villas Borgese et Pamfili.” In Napels heeft hij het, herkenbaar, over de “saleté des Napolitains. Partout mendiants.’ ‘Les Italiens s’embrassent et se caressent comme des femmes.’ In Pompeji is hij het scherpst: ‘’t Is schandelijk obsceen; die oude Romeinen waren ’n inavouabel soort lui. Je zoudt je schamen om daar iemand van je kennissen te ontmoeten. En verbeeld je: ’t is was er nog wel vol met Engelsche misses die fotografieën namen. How is it possible!’ In Streuvels en de Mosella van Ausonius buigt Lateur zich over de West-Vlaming die het betreurde geen klassieke opvoeding te hebben gehad: ‘grondige kennis van veel talen – die een mens volmaken – algemene cultuur, die een open blik geven, durf…’. In zijn Genoveva van Brabant vertaalde hij Ausonius uit de Duitse vertaling, misschien bijgestaan door twee pastoors, uit Heestert en Kaster. Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat de West-Vlaming Lateur hier Streuvels een hart onder de riem steekt en hem steunt: hij heeft die algemene cultuur zich wel eigen kunnen maken.

De reeks Academisch handelt over het werk van Hubert van Herreweghen, zijn voorganger in de Academie, de scherpe en geëngageerde, open christelijke pen van Maria Rosseels, met wie de katholieke roman sterft, en beantwoordt de vraag hoe de lezer, vertaler en auteur Lateur zich verhoudt tot de editiewetenschap.

In de zevende en laatste rubriek komen bevriende plastische kunstenaars aan bod: de schilders Luc Hoenraet en Armand Demeulemeester en de fotograaf Rony Heirman. Lateur buigt zich hier over de vraag hoe kunst religieus kan zijn in een wereld die niet meer christelijk is. Dit boek, Vetera et Nova, het oude dat naadloos overgaat in het nieuwe, zoals dat vanzelfsprekend is voor de classicus Lateur, eindigt met de mooie woorden van Georges Rouault uit 1910: ‘Mon art, si modeste et si humble soit-il, ne m’a pas déçu dans le fond de mon effort; j’ai pu, loin des théories décevantes, retrouver à certaines heures un coin du Paradis perdu.’

Deze man heeft zich gelukkig altijd ver van ontgoochelende theorieën gehouden. Zijn vaardigheid, zijn kunst heeft hem niet ontgoocheld in al zijn inspanningen. Ik hoop  – maar weet eigenlijk wel zeker – dat hij er hier en daar, een hoekje van het verloren paradijs in heeft gevonden – in Cincelli, een Romeins – Romaans kerkje, of een bladzijde van zijn Homeros of Leonardo.

Envoi

Beste Patrick, 70 jaar is twee keer Dante’s mezzo del cammin. Dante bevond zich in een duister bos, verdwaald. Jij hebt je paden al lang gekozen. En er is nog weg af te leggen. Met Katleen aan je zijde, je kinderen en kleinkinderen. Ik kijk nu al uit naar je Aischylosvertaling.

Nie plueje, zeggen ze in Gent. Perge ut coepisti, zei het spraakkunstvoorbeeld in Geerebaert, of om het met Wannes Cappelle en het Zesde Metaal  te zeggen: ‘tè nog ol nie no de wuppe, gelik wat da je an tdoen wort,  doe mo vwort’.

Doe mo vwort. Ad multos annos, Patrick.