Pest in Oran – 5

Eind december was ik in Rome verwonderd een paar stukken over Albert Camus te vinden in de Robinson van La Repubblica en in Il Sole 24 Ore. Kort nadien volgde de Franse pers: op 4 januari was het zestig jaar geleden dat de 47-jarige auteur verongelukte. Te onzent geen woord. Ik grasduinde in die dagen in zijn correspondentie met Maria Casarès, verschenen in 2017.
Nu leest iedereen Camus. Terecht. La Peste is zo herkenbaar in deze nare maanden, ook al is de roman geen evocatie van de historische epidemie in het Algerijnse Oran in 1945. Camus schreef het boek tussen 1943 en 1946. En aarzelde in 1947 om het werk te publiceren. Op 19 februari 1951 schrijft hij aan Casarès: Je me dis que j’ai eu la même crise en terminant ‘La Peste’, que je ne voulais pas publier (734). Het boek staat ook voor het verhaal van het verzet tegen het nazisme, bevestigde Camus later. Een lezing die nog te weinig onderkend blijft.
Merkwaardig ook hoe de auteur zich in de antieke traditie lijkt in te schrijven. De bronnen die ‘le narrateur’ vermeldt (Pléiade, 1222) herinneren aan wat de historicus Thucydides (die de Atheense pestepidemie beschreef) uiteenzet in zijn methodekapittel I.22 van De Peloponnesische Oorlog. Ook opmerkelijk is dat Camus zijn roman uitdrukkelijk vijf hoofdstukken meegeeft, als epeisodia van een Griekse tragedie.
Ik herlees de roman in de Pléiade, mijn oud exemplaar in Livre de Poche bewaar ik als herinnering. Vanmorgen schrok ik toch wel even bij Camus’ relativering van het vrijwilligerswerk op blz. 1326-1327: C’est pourquoi nos formations sanitaires qui se réalisèrent grâce à Tarrou doivent être jugées avec une satisfaction objective. C’est pourquoi le narrateur ne se fera pas le chantre trop éloquent de la volonté et d’un héroisme auquel il n’attache qu’une importance raisonnable. Mais il continuera d’être l’historien des coeurs déchirés et exigeants que la peste fit alors à tous nos concitoyens.