Pest in het dierenrijk – 3

In de oude wereld werd een epidemie veelal beschouwd als een straf van de hemel. Homeros’ Ilias opent met een pest als goddelijke vergelding voor Agamemnons weigering Chryseïs terug te geven aan haar vader. In 2 Samuël 24 stuurt Jahweh de pest om de jonge David terecht te wijzen. En ook bij Livius, die in zijn Ab Urbe Condita veel epidemies vermeldt, wordt o.m. de pest van 432 v.C. toegeschreven aan de vertoornde goden.

Jean de La Fontaine spreekt in de zeventiende eeuw in zijn fabel Les animaux malades de la peste (VII.1) nog steeds van
‘Mal que le Ciel en sa fureur
Inventa pour punir les crimes de la terre.’

En om de ware schuldige aan te wijzen, stelt koning leeuw voor dat alle dieren hun biecht spreken en dat iemand moet worden opgeofferd. Zo ging het altijd:
‘L’histoire nous apprend qu’en de tels accidents
On fait de pareils dévouements.’

Voor leeuw, vos, tijger en beer behoort het verslinden van schapen tot ‘les moins pardonnables offenses’. Maar dat de ezel en passant een beetje gras at in een weide…
‘Manger l’herbe d’autrui! quel crime abominable!’

Moraal van het verhaal? Aanklacht tegen de machtigen, pleidooi voor de zwaksten, ook in nare tijden:
‘Selon que vous serez puissant ou misérable,
Les jugements de cour vous rendront blanc ou noir.’

Gravure van Pierre-Etienne Moitte (1722-1780) naar een tekening van Jean-Baptiste Oudry (1686-1755).