Pest in Athene – 2

Het slot van De rerum natura van de Romeinse filosoof-dichter Lucretius (1ste eeuw v.C.) is een bewerking van de hoofdstukken die Thucydides in het tweede boek van De Peloponnesische Oorlog wijdde aan de pest in Athene anno 430 v.C. Uit de Griekse historicus citeerden we eerder al. De laatste vijftien verzen (VI.1272-1286) van Lucretius beschrijven de ontreddering en het verlies van waardigheid bij overlevenden. Geen vrolijke verzen in deze coronamaanden, maar wel verzen die de ellende van vandaag in een breder verband kunnen plaatsen.

Omnia denique sancta deum delubra replerat
corporibus mors exanimis onerataque passim
cuncta cadaveribus caelestum templa manebant,
hospitibus loca quae complerant aedituentes.
nec iam religio divum nec numina magni
pendebantur enim: praesens dolor exsuperabat.
nec mos ille sepulturae remanebat in urbe,
quo prius hic populus semper consuerat humari;
perturbatus enim totus trepidabat et unus
quisque suum pro re praesenti maestus humabat.
multaque res subita et paupertas horrida suasit;
namque suos consanguineos aliena rogorum
insuper exstructa ingenti clamore locabant
subdebantque faces, multo cum sanguine saepe
rixantes potius quam corpora desererentur.

De dood had alle heiligdommen van de goden
volgestouwd met lijken en overal waar de bewaarders
van de tempels hun gasten gehuisvest hadden, bleven
alle godentempels constant bezaaid met kadavers.
De godsdienst en de goden hadden hun macht en invloed
verloren, het verdriet was allesoverheersend.
In de stad werden rituelen waarmee men vroeger
de doden meestal begroef, niet meer in acht genomen.
Alle mensen leefden in paniek en verwarring
en verdrietig begroef men zijn doden zoals het uitkwam.
Nood en armoe leidden tot navrante dingen:
onder luid geweeklaag legden ze hun eigen
familieleden op andermans stapel hout en hielden
er een fakkel onder, vaak tot bloedens toe vechtend,
liever dan het lichaam in de steek te laten.

Lucretius, Leerdicht over de natuur, vert. Marguerite Prakke, Damon, Budel, 2007, p. 239.

Laatste verzen (1277-86) van De rerum natura in het schuine schrift van Niccolò Niccoli (1365-1437), Biblioteca Medicea Laurenziana, Firenze.