Huizen

In tijden van corona heb ik geen behoefte aan escapeliteratuur als Boccaccio’s Decameron. Als ik dat boek herlees, zal dat opnieuw gebeuren op de zomerheuvel bij Arezzo. In mijn zelfopgelegde quarantaine hoef ik hier en nu het huis, de tuin ook niet mentaal te ontvluchten. Integendeel.
Laat me nu juist erg genoten hebben van twee pas verschenen boeken waarin een huis wordt gereconstrueerd of van een huis afscheid wordt genomen. Een huis in Engeland van Maarten Asscher evoceert het verblijf van zijn grootouders in Pensford Avenue in Kew (Londen), Ingrid Vander Veken laat in Wat overblijft het huis in de Vijfhoekstraat in Berchem (Antwerpen) achter zich. Liefde en heimwee waarmee teruggekeken wordt, doen denken aan La casa della vita van Mario Praz. Het nachtboek van de slapeloze Asscher en het dagboek van de opruimende Vander Veken zijn autobiografische documenten waarin dingen en mensen opleven. En – een toevallig detail – de ginkgo biloba telkens wordt verheerlijkt. Beide boeken hebben tegelijk een dramatische ondertoon: Asscher zoekt naar het geheim van de ontsnapping van zijn joodse grootouders uit Westerbork, gelijktijdig met de verhuizing van Vander Veken loopt het afscheid van een vriend voor het leven die sterven moet.
De twee romans vormen een ode aan herinnering en geheugen, aan huis en houvast. Ongewild zijn ze in tijden van corona een warme aansporing om precies het leven binnen de vertrouwde muren en hagen met nieuwe ogen te bekijken. En dus ook mentaal thuis te blijven.