Vézelay – schrijversgraven

Twee weken geleden stond ik op het kerkhof van Vézelay in de diepte achter het koor van de Sainte-Marie-Madeleine. De stilste plek van ‘la colline sainte’. Dicht bij het hekken rust de woelige Maurice Clavel uit het naburige Asquins, een dorp wat dieper in het dal. Van hem las ik alleen Nous l’avons tous tué ou ce juif de Socrate. Wat verder verrast me het graf van Georges Bataille, van wie ik nog niets las. Misschien ooit Le Bleu du ciel. Zijn naam is nog amper te lezen op de sobere steen.
Maar eigenlijk kwam ik hier om Rosalie Vetch te groeten, jarenlang minnares en muze, nadien vriendin van Paul Claudel. Zijn brieven aan haar werden pas drie jaar geleden gepubliceerd. Lettres à Ysé roept de naam op van Ysé uit Partage de midi, en ook Le soulier de satin is een echo van zijn verhouding met Rosie, die pas tien jaar geleden aan het licht kwam. Tijdens de oorlog vond zij met hun beider dochter Louise een onderkomen op de heuvel van Vézelay bij Romain Rolland. Claudel was niet aanwezig toen Rosalie er in 1951 werd begraven. Op haar stèle wel een vers uit zijn Japanse bundel Cent phrases pour éventails: Seule/la rose/est assez fragile/pour exprimer/l’Éternité (Oeuvre poétique, Pléiade, 1957, p. 698).
Vézelay is de rust van het romaans, maar ook de onrust van getormenteerde pennen.

graf3