Mystieke verzen

De Druivelaar, die ik al in mijn kinderjaren thuis zag hangen en die hier nog elk jaar in huis wordt gehaald, gaf gisteren het feest van Johannes van het Kruis (Spanje, 16de eeuw) aan en vandaag dat van Hadewijch (Brabant, 13de eeuw). Beide mystici en dichters, die de vereniging van de ziel met God evoceren als een liefdesrelatie, deden me in de vroege morgen naar wat verzen grijpen.

Liederen 8.6 van Hadewijch:
‘Die minne loent altoes, al comt si spade.’
dats daertoe mine sage.
Die hare volgen, si liden
meneghen nacht bi dage.

[‘De minne loont altijd, al komt ze laat’, / dat is wat ik daarop zeg. / Zij die haar volgen, beleven / menige nacht overdag. – Fraeters & Willaert, Historische Uitgeverij, 2009, 108-109]

Johannes van het Kruis, Geestelijk Hooglied, strofe 1:
¿ Adónde te escondiste,
Amado, y me dejaste con gemido ?
Como el ciervo huiste
habiéndome herido ;
salí tras ti clamando, y eras ido.

[Waar houdt Gij U verborgen, / Beminde, en Ge laat me in zuchten achter? / Gelijk een hert ontvlucht Ge, / Nadat Ge mij gewond hebt; / Ik liep en riep U na en Gij waart spoorloos. – Peters en Jacobs, Carmelitana, 1975, 186 en 269]