VWS-Prijs 2019

VWS-Prijs 2019

Op 27 oktober 2019 reikte de Vereniging voor West-Vlaamse Schrijvers haar VWS-Prijs 2019 uit aan Patrick Lateur. Hieronder vind je de toespraak van voorzitter Jooris van Hulle.

Moge Zeus, die smekelingen hoedt,
genadig toekijken op ons gezelschap.

Zo luidt de ouverture van De smekelingen, het uit 463 v.C. daterende toneelstuk van Aischylos. Het zijn ook de woorden waarmee Patrick Lateur de Homeruslezing opende die hij in het voorjaar 2019 uitsprak in het Rijksmuseum van Oudheden in Leiden en nadien in een uitgebreide versie publiceerde onder de titel Europa. Mythologisch continent in eeuwige beweging.
Lateur plaatst de aan koning Pelagos van Argos gerichte smeekbede van de Danaïden, de vijftig dochters van Danaos die op hun vlucht uit Egypte de Middellandse Zee zijn overgestoken, op een heel directe manier in perspectief: het gaat om vluchtelingen en het antwoord van de vorst is veelzeggend in de manier waarop de actualiteit van onze eenentwintigste eeuw erin doorklinkt:
‘Ik voel me hulpeloos, ben bang
moet ik het doen, niet doen, het lot maar laten?’
En even verder voegt hij eraan toe:
‘Gebeurt iets minder goed, ik wil mijn volk
nooit horen zeggen: ‘U eert vreemdelingen
maar zo vernietigt u uw eigen stad.’

‘Moge Zeus, die smekelingen hoedt, / genadig toekijken op ons gezelschap’… Niet als smekelingen zijn we hier vandaag in een vriendengezelschap bijeen, maar als ‘feestelingen’. Met de toekenning van de VWS-prijs aan Patrick Lateur eren en bekronen wij een auteur die – als dichter, vertaler en bloemlezer – getuigt van een onverzettelijke werkkracht en een nooit aflatende alertheid als het erop aankomt vanuit zijn betrokkenheid bij de Grieks-Romeinse en de christelijke cultuur en de nawerking ervan in onze westerse samenlevingn voor zichzelf – en meteen ook voor de lezer – een vorm van consolidatie te creëren die zin en betekenis kan geven aan wat dagelijks op ons afkomt. Ik grijp nog even terug naar de reeds aangestipte Homeruslezing. Aan het slot ervan staat deze bedenking: ‘Al sinds een paar decennia is de wereld een dorp geworden, maar de rust is verdwenen. Op onrust en angst wordt gretig ingespeeld door allerhande individuen en bewegingen. Maar is de wereld, ook die van de oudheid, ooit wel anders geweest dan een wereld in beweging?’
Het zijn bedenkingen, indrukken van een auteur die zichzelf liever omschrijft als ‘een liefhebber en lezer van de Griekse en Latijnse literatuur’, eerder dan als een wetenschapper. Naar aanleiding van een Poëziekrant-interview dat ik had met hem, zei hij: ‘Ik ervaar dichten, vertalen en bloemlezen als één grote zoektocht binnen de klassieke wereld en in een breder verband de westerse cultuur, vanuit het grote gevoel dat daar vragen worden gesteld die voor ons herkenbaar zijn.’ Graag wil ik, dames en heren, even stilstaan bij de krachtlijnen binnen het omvangrijke oeuvre van Patrick Lateur.

Er is vooreerst de dichter. In het tweede Lied van de Galilese lente, opgenomen in de bundel Lente in Galilea. Een passiespel staan deze verzen:
‘Niet langs de weg van macht en heerschappij
gebeurt de liefde, maar in tegenstroom.’
Wat hier wordt gezegd over de liefde, geldt in wezen voor het gedachtegoed en de poëtica die Lateur in zijn werk aanhangt. Geen gratuit vormexperiment bij hem, maar een middels klassieke vormen herbronnen en hertalen van de wortels van onze cultuur. Zelf zegt hij hierover: ‘Ik schrijf geen poëzie die gensters slaat, ik wil op een rustige manier af en toe iets zeggen en dat doe ik het liefst in een klassieke vorm.’ De manier waarop hij zich dichtend inschrijft in de traditie, kan ik het best omschrijven als een vorm van harmonische integratie. Harmonie in de vormgeving van de aparte gedichten, harmonie in de streng in de hand gehouden en vaak in de maat van drie en zeven uitgewerkte structuur van de bundels die de zich aandienende thematiek doorgronden.
Integratie heeft voor hem als dichter, maar even zeer als vertaler en bloemlezer, te maken met een diepgeworteld verlangen naar authenticiteit, dit vanuit de overtuiging dat over de grenzen van plaats en tijd de traditie blijvend mee bepaalt wie wij zijn. In zijn gedicht Beveren revisited keert de dichter schrijvend terug naar zijn oord van afkomst:
‘kan men een dorp in woorden vatten
het eindeloos vergaan van mens en ding
de geur van vlas vervlogen
de halve deuren langs de baan gedicht
de stam is weg
de wortels en de woorden blijven.’
Het zijn die wortels – die van zijn geboortestreek, en bij uitbreiding die van de klassieke cultuur – die hem als auteur blijvend toelaten ons een spiegel voor de tuin van heden voor te houden.
In die tuin van heden wordt Patrick Lateur vooral geraakt door wat ik hier zou noemen de aberraties van macht en politiek, vaak geconcentreerd dan rond de thematiek van zinloos oorlogsgeweld. Persoonlijk reken ik de bundel Kruisweg in de stad uit 2005 tot een van de hoogtepunten in het oeuvre van Lateur, dit onder meer door het indringende picturaal werk van Luc Hoenraet dat erin is opgenomen. ‘Hij krast’ – zo schrijft Lateur – ‘op het canvas zijn tekentaal vol raadsels.’ De bundel evoceert, vanuit de antithese tussen helder en donker, het lijdensverhaal. En weer wordt duidelijk hoe de dichter de stap weet te zetten naar hedendaags ingekleurde situaties in beelden die het leed oproepen dat wordt veroorzaakt door oorlogsgeweld. In het gedicht Wenende vrouwen – de achtste statie uit de bundel – krijgt het lijdensverhaal een universeel-menselijke dimensie:
‘Betreur de moeders
die zullen zoeken naar hun kinderen
betreur de vrouwen die zullen huilen om hun man,
ween om het onrecht van macht en wet.’
Om dit thematisch gegeven nog even verder te expliciteren: wie herinnert zich niet het beeld van de Vietnamese Kim Phuc, over wie Lateur in zijn Martyrium perpetuum-cyclus uit 2007 schrijft:
‘Gouden geluk, zo is haar naam, terwijl
de napalm schroeit, haar lijf tot hitte straalt.
En later de gevangene tot heil
van het gezag dat met haar woorden praalt.’
En om deze invalshoek af te ronden: in zijn bundel Carmina miscellanea uit 2006 lezen wij het gedicht Mars-Ares, waarin het emblematische beeld van de cello spelende musicus voor de verwoeste bibliotheek van Sarajevo wordt gememoreerd en in de slotstrofe het motief herhaalt van de moeders die vergeefs uitzien naar hun zoon. En toch is er dan het slotvers, dat een verwijzing inhoudt naar de ‘sera rosa’ van Horatius, een hoopvol uitzicht: ‘Maar in de herfst bloeit soms een late roos.’

Voor zijn vertaling van de Ilias van Homeros kreeg Patrick Lateur de Prijs van de Vlaamse Gemeenschap voor Letteren 2011-2012. Een meer dan terechte bekroning voor iemand die zijn vertaalwerk zelf als volgt omschrijft: ‘het herscheppen van de brontekst tot een eigentijdse literaire tekst die via het hele ter beschikking staande arsenaal van stijl- en expressiemiddelen in het Nederlands eigentijds, origineel en vooral verfrissend overkomt.’ Ik wil dit voor alles illustreren met een excerpt uit zijn begin dit jaar verschenen vertaling van de bundel Belle Chair van Emile Verhaeren. In zijn hertaling creëert Lateur een belangrijke meerwaarde voor de poëzielezer van de eenentwintigste eeuw. Hij bevrijdt de gedichten van Verhaeren van elke rijmdwang, hij schuift met de woorden en laat zo een origineel en vernieuwend licht schijnen over de erotische verzen van Verhaeren. Een voorbeeld hiervan vindt de lezer reeds in het openingsgedicht Vision dat aanvangt met deze verzen:
‘A l’heure où sur l’étang les lumières s’attardent,
Sans être vus, sous les branches, mes yeux regardent
Passer, splendide et clair, dans un sentier perdu
Ton corps.’
In Lateurs vertaling luidt het zo:
‘Lichten laten op zich wachten op het meer,
ongezien onder het takwerk zien mijn ogen
je lichaam glanzend, helder glijden langs
een schuilpad.’
Effenaf schitterend: ‘un sentier perdu’ wordt hier in het Nederlands ‘een schuilpad’.
Vertalen als een daad van bevrijding in de manier waarop de vertaler zoekt thuis te komen bij de auteur om zo weer nieuwe invalshoeken te ontdekken.
De eerste vertaling die Patrick Lateur in boekvorm publiceerde is die van het Pervigilium Veneris, een gedicht van 93 verzen van de hand van een anonieme dichter of dichteres uit de 4de eeuw n.C. Het gedicht evoceert vanuit de sfeer rond het lentefeest ter ere van Venus’ geboorte de universele kracht van de liefde. En vooral het refrein blijft hangen:
‘Morgen moet de liefde komen
bij wie nooit heeft liefgehad,
bij wie ooit heeft liefgehad
moet de liefde morgen komen.’
Uit zijn vertaaloeuvre – uitdijend van de klassieken tot grootmeesters als Leonardo da Vinci of Michelangelo – licht ik de drie ‘magna opera’ waaraan Lateur zich waagde. In 1999 publiceerde hij de Zegezangen van Pindaros. Nooit eerder waren diens oden, die hij in opdracht schreef, volledig in het Nederlands verschenen. De taal, de gedachte- en woordassociaties, de combinatie van beelden, de eindeloos gevarieerde versvormen stelden de vertaler voor een zware uitdaging. Lateur koos voor het vrije vers en creëerde op die manier de vrijheid – vertalen als daad van bevrijding! – en de talige ruimte die de Griekse tekst laten opklinken in een verfrissend aandoende Nederlandse versie. ‘Schoonheid is voor stervelingen de bron van alle vreugde’ schrijft Pindaros en wist, eeuwen later, ook al iemand als Keats.
Anders, eigentijds, verrassend, gedurfd: het zijn omschrijvingen die de vertalingen van de Ilias en de Odyssee van Homeros het best in perspectief plaatsen. Patrick Lateur kiest voor een optimale leesbaarheid van de Nederlandse versie door niet voor de bij het origineel aanleunende hexameter te kiezen, maar voor vijfvoetige jamben. In 1931 – bijna een eeuw geleden dus – luidden de openingsverzen van de Ilias in de metrische vertaling van Aegidius Timmerman zo:
‘Wrok zij uw zang; o Godin, de moorden wrok van Achilles
Peleus’ zoon, die talloze rampen de Grieken bereidde.’
Bij Lateur lezen we:
‘De wrok, Godin, van Peleus’ zoon Achilles
moet u bezingen. Hij was dodelijk,
bracht voor Achaiers rampspoed zonder einde.’
Over de blijvende waarde en diepmenselijke, steeds weer hedendaags aandoende kracht van beide werken van ‘De Dichter’ zoals Homeros terecht wordt genoemd, kan geen twijfel bestaan. De Ilias gaat in wezen over emoties – ook die van ons, moderne lezers – en stelt niet steeds de held op het slagveld voorop. En in de Odyssee staat, naast de avonturen die erin worden verteld, de vraag naar het geluk centraal. Het is een meeslepend boek over thuiskomen, over de ‘philoxenia’, de gastvrijheid en over hoe we kijken naar vreemdelingen.

Een derde en laatste vertakking, dames en heren, binnen het oeuvre van Patrick Lateur is die van de bloemlezingen. In het nawoord bij de Homerische miniaturen die Lateur publiceerde in 2018, staat deze treffende homerische vergelijking van de hand van Kristoffel Demoen:
‘Zoals tijdens een wandeling in ’t bos
een vrouw blijft staan bij elke plek
waar wilde bloemen bloeien: hyacinten,
narcissen, anemonen, orchideeën;
ze weet dat plukken eigenlijk niet hoort
maar kan het toch niet laten: handenvol
verzamelt ze. Weer thuis schikt zij de bloemen
zorgvuldig in een vaas en in een mand,
en ziet hoe mooi ze samen zijn, heel anders
dan in het bos, waar ze slechts hier en daar
de wandelaars verrassen met hun kleuren.
Zo ook wie uit een boek gaat bloemlezen.’
Anders, maar in hun samenhang een eigen schoonheid vertegenwoordigend: dat rechtvaardigt het werk van de bloemlezer. Lateur grijpt vaak terug naar de Anthologia Graeca, de aloude bloemlezing die epigrammen bevat van meer dan driehonderd auteurs tussen de 7e eeuw v.C. en de 6e eeuw n.C. Graag wijs ik hier op de meest recente publicatie, die deze maand in de boekhandel komt te liggen: 150 epigrammen over Helden – dit is de titel van het werk – uit de mythen en sagen en uit de homerische epen en de Griekse tragedies.
En daarnaast zijn er de bloemlezingen – ik streef hier geen volledigheid na – die hij maakte rond verscheidene thema’s: Kijken naar jou uit duizend ogen, over hoe Griekse en Latijnse dichters over de liefde hebben geschreven; of over Rome, zijn meest geliefde stad, en over Toscane, de streek waar hij jaarlijks enkele keren naar toe trekt… Wat duidelijk is: Lateur bloemleest ‘ex abundantia cordis’, vanuit een diepgeworteld verlangen de lezer deelgenoot te maken van alle moois dat hij steeds weer op het spoor komt.

Ik wil eindigen, dames en heren, met deze bedenking:
In zijn verzameling Facebooknotities Efemeriden uit 2017 noteert Patrick Lateur op datum van 4 december 2011: ‘Mooi klinken deze morgen het Rorate caeli en het Populus Sion van de tweede adventszondag in de abdijkerk van Roosenberg te Waasmunster.’ In de ban van de muziek en bewonderend opkijkend naar de architecturale zuiverheid van het kloostergebouw van de hand van architect en benedictijnermonnik Hans van der Laan heeft hij het over ‘een tijdloze dialoog van aloude muziek en hedendaagse architectuur’. Of toegepast op het oeuvre: de dialoog die Patrick Lateur schrijvend, lezend en zoekend blijvend voert, namelijk die tussen toen en nu.