Nobel

Het is dit jaar in de Lage Landen opvallend stil rond de Nobelprijs voor Literatuur. Tot voor kort wogen kranten telkens de kansen af van eigen auteurs en stond de champagne her en der tegen het middaguur klaar, maar hij werd vooral royaal gedronken bij een uitgever als De Geus met dé neus voor buitenlandse literatuur.
In boekhandels in het buitenland valt me altijd de afwezigheid op van onze letteren. Het is een leuk spel om ergens een paar namen te vinden tussen al dat papier, maar het spel duurt soms wat lang. De vertaalpolitiek van wat nu Literatuur Vlaanderen moet heten (het vroegere Vlaams Fonds voor de Letteren) heeft al grote stappen gezet in vergelijking met de jaren negentig, toen ik in de kelders van de Administratie Kunst in Brussel kasten opende propvol met Italiaanse Van Paemel en Claus. Kassa! voor de uitgever, illusie voor de auteurs.
Ooit moet het lukken dat voor het eerst sinds 1901, toen Sully Prudhomme de prijs won, een begenadigde pen uit de Nederlanden naar Stockholm mag reizen. Namen noemen is voorbarig. Laat de champagne vooralsnog in de kelder.

En dus, vijf uur later:
Olga Tokarczuk of De Neus van De Geus.