Heuvelen – 8

De hondsdagen slaan toe. Dit jaar al even hard als het ongeleid projectiel dat Phaëthon heette, die o.m. Rijn en Rhône, Po en Tiber drooglegde. Zo las ik het deze week bij Ovidius, Metamorfosen 2.258-259. Om een beetje te ontsnappen aan de Canicula lees ik hoog boven in de studiolo dit schildersboek bij uitstek. Het derde boek vertelt over de tegenslagen die de Thebaan Kadmos moest verdragen. Je leest er o.m. hoe Aktaion door zijn eigen honden werd verscheurd, waarom Teiresias de waarzeggerskunst kreeg toebedeeld, vanwaar de echo komt en hoe de narcis tot bloei kwam. Maar vóór dat alles verwoordt de dichter wat ook Griekse poëten en toneelauteurs vaak schreven: geen mens moet zich gelukkig noemen vóór hij gestorven is en de laatste eer ontving: … dicique beatus / ante obitum nemo supremaque funera debet. (3.136-137) Een hondse gedachte op deze zomerse, zorgeloze plek.
P1100068.JPG